Uitspraak
De Ontvanger heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 20 oktober 1993 de Rabobank tot bewijslevering toegelaten.
Tegen dit tussenvonnis heeft de Rabobank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage. De Ontvanger heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
Tegen de Rabobank is verstek verleend.
De Ontvanger heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
(i) Op het destijds aan [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1] ) toebehorende perceel grond aan de [a-straat 1] te Terneuzen was een zogenaamde portacabin van ongeveer 10 bij 15. geplaatst naast een gebouw dat zich reeds op dat perceel grond bevond. De portacabin was door middel van leidingen aangesloten op het gas-, water- en elektriciteitsnet. De portacabin was bovendien aangesloten op de riolering en het telefoonnet.
(ii) De portacabin is in 1990 als bedrijfsgebouw (kantoorruimte) in gebruik genomen.
(iii) Bij brief van 17 oktober 1990 heeft de Rabobank aan [betrokkene 1] een krediet in rekening-courant toegezegd van ƒ 150.000,--. Die brief hield onder meer in:
“ZekerheidVoor deze financiering dienen de volgende zekerheden gesteld te worden:
- eerste bankhypotheek groot ƒ 150.000,-- op twee bedrijfsgebouwen, [a-straat 1] te Terneuzen,
(…).
- (…)”
(iv) Op 3 december 1990 – toen de portacbin zich reeds op genoemd perceel bevond – is door [notaris] , notaris te [plaats] , een akte gepasseerd waarbij [betrokkene 1] verklaarde aan de Rabobank hypotheek te verlenen tot een bedrag van ƒ 200.000,-- op “de bedrijfsgebouwen met ondergrond staande en gelegen aan de [a-straat 1] te Terneuzen”.
(v) Nadat tussen [betrokkene 1] en de Rabobank problemen waren ontstaan, heeft de Rabobank gebruik gemaakt van de haar bij art. 3:268 BW verleende bevoegdheid het verbonden goed te doen verkopen. De verkoop heeft in het openbaar plaatsgevonden op 7 juli 1992. De grond en de daarop staande gebouwen zijn toen door de Rechtbank gekocht.
(vi) Op 1 april 1992 had de Ontvanger ten laste van een door [betrokkene 1] opgerichte vennootschap executoriaal beslag doen leggen op de roerende zaken die zich in het pand [a-straat 1] te Terneuzen bevonden en eigendom zijn/waren van [betrokkene 1] . Door de deurwaarder is toen mede beslag gelegd op de portacabin als ware het een roerende zaak. De Rabobank is daarvan niet op de hoogte gesteld.
(vii) [betrokkene 1] heeft vóór de datum van de openbare verkoop, met toestemming van de Ontvanger, de portacabin aan een derde verkocht.
(viii) Op 7 juli 1992 stond de portacabin nog op het perceel [a-straat 1] te Terneuzen.
(ix) Op 17 juli 1992 heeft de Rabobank geconstateerd dat de portacabin was gedemonteerd en afgegeven aan de onder (vii) bedoelde derde.
De Ontvanger heeft zulks bestreden, zich op het standpunt stellende dat de portacabin roerend is omdat zij, kort samengevat, niet in de zin van art. 3:3 BW duurzaam met de grond verenigd was.
De Rechtbank heeft bij haar tussenvonnis de Rabobank toegelaten tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit voortvloeit dat de portacabin was verenigd met de grond waarop zij was geplaatst.
Het Hof heeft de gevorderde verklaring voor recht gegeven. Daartoe heeft het Hof, kort samengevat, het volgende in aanmerking genomen:
- de portacabin is als bedrijfsgebouw (kantoorruimte) in gebruik genomen naast het reeds ter plaatse bestaande bedrijfsgebouw;
- beide gebouwen of constructies waren visueel door middel van een schutting met elkaar verbonden;
- aan de onderzijde van de portacabin was een (demonteerbare) plint bevestigd die tot of tot in de grond reikte, zodat de portacabin visueel eveneens één geheel met de grond vormde;
- rond de portacabin bevond zich een goed onderhouden tuin;
- de portacabin had een aparte ingang en was bereikbaar via een tegelpad;
- de portacabin was aangesloten op het gas-, water- en elektriciteitsnet; zij had een telefoonaansluiting en een aansluiting op de riolering;
- de Rabobank had in haar brief van 17 oktober 1990 bedongen dat hypotheek zou worden gevestigd op de beide bedrijfsgebouwen (waaronder de portacabin);
- de taxateur [taxateur] heeft in zijn taxatierapport van 23 juli 1990 de panden, waaronder de portacabin, omschreven als twee bedrijfsgebouwen en ten aanzien van de portacabin vermeld dat zij haar fundatie heeft in betonpoeren en een stalen frame.
Daartegen keert zich het middel met een reeks van klachten.
a) Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven; zie de toelichting op de nota van wijzigingen bij art. 3.1.1.2 lid 1 ontwerp NBW (Parl. Gesch. Boek 3, blz. 70) en de daarin bedoelde passage in de MvA II bij art. 6.3.2.7 (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 760). Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen (vgl. het in evengenoemde passage vermelde arrest van de Hoge Raad van 13 juni 1975, NJ 1975, 509, alsmede de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1994, NJ 1995, 464 en 465).
b) Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet, zoals in de MvA II betreffende art. 3:3 (Parl Gesch. Boek 3, p. 69 eerste volle alinea) is opgemerkt, worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Onder de bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.
c) Zoals tot uiting komt in de hiervoor onder b) vermelde passage uit de MvA II, dient de bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven naar buiten kenbaar te zijn. Dit vereiste vloeit voort uit het belang dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn.
d) De verkeersopvattingen kunnen – anders dan voor de vraag of iets bestanddeel van een zaak is in de zin van art. 3:4 – niet worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in de gevallen dat in het kader van de beantwoording van die vraag onzekerheid blijkt te bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd, en voor de toepassing van die maatstaf nader moet worden bepaald wat in een gegeven geval als “duurzaam”, onderscheidenlijk “verenigd” en in verband daarmee als “bestemming” en als “naar buiten kenbaar” heeft te gelden.
31 oktober 1997.