Uitspraak
27 juni 1997.
Hoge Raad
De ontvanger van de belastingdienst heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om verweerder in staat van faillissement te verklaren wegens openstaande belastingaanslagen en steunvorderingen. De rechtbank wees dit verzoek af, maar het hof vernietigde deze beschikking en verklaarde verweerder alsnog failliet.
Verweerder stelde in cassatie meerdere klachten over het oordeel van het hof, onder meer over de toepassing van de Leidraad Invordering 1990 en het ontbreken van een mededeling als bedoeld in deze leidraad. De Hoge Raad oordeelde dat de ontvanger niet onrechtmatig handelde door het faillissementsverzoek in te dienen, ook niet ondanks het ontbreken van de mededeling, aangezien deze niet constitutief is voor het aanvragen van faillissement.
Verder werd geoordeeld dat de aanspraken van de ontvanger opeisbaar waren en dat de stelplicht en bewijslast omtrent betalingsoverzichten bij verweerder lagen. Ook de steunvorderingen van het LBIO en de ING-Bank waren terecht meegenomen in het faillissementsverzoek.
Ten slotte verwierp de Hoge Raad het verweer dat de ontvanger zijn bevoegdheid misbruikt zou hebben om verweerder handelingsonbekwaam te maken. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de faillietverklaring van verweerder.