ECLI:NL:PHR:2009:BG5849
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot vernietiging arbitraal vonnis wegens gezag van gewijsde en geldige arbitrageovereenkomst
In deze zaak zijn partijen betrokken bij een maatschapsovereenkomst met een arbitrageclausule die alle geschillen aan arbitrage onderwerpt. Na een eerste arbitrale vonnis uit 1998, waarin een goodwillvergoeding werd vastgesteld, ontstonden nieuwe geschillen over een naderhand ontdekte belastingschuld die destijds niet bekend was. Verweerder startte daarop een tweede en derde arbitrageprocedure waarin hij onder meer wijziging van de goodwillvergoeding vorderde.
Eiser stelde dat de derde arbitrageprocedure een verkapt hoger beroep betrof, hetgeen volgens de overeenkomst was uitgesloten, en vorderde vernietiging van het arbitraal vonnis uit 2005. Zowel de rechtbank als het gerechtshof wezen deze vordering af, waarbij het hof oordeelde dat de vordering formeel niet strekte tot aantasting van het dictum van eerdere arbitrale vonnissen en dat het gezag van gewijsde van het eerste vonnis niet aan de nieuwe vordering in de weg stond, omdat de belastingschuld ten tijde van het eerste vonnis niet bekend was.
In cassatie werd betoogd dat het hof onjuiste maatstaven had toegepast en het gezag van gewijsde had miskend. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de arbitrageovereenkomst geldig was, het hof terecht terughoudendheid betrachtte bij toetsing van de bevoegdheid van arbiters, en dat de verdeling van een nagekomen schuld rechtens te onderscheiden is van de goodwillvergoeding. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis wordt afgewezen.