ECLI:NL:PHR:2009:BG5263
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg mondelinge overeenkomst over dempen sloot met puinafval en bewijsaanbod
In deze zaak draait het om de uitleg van een mondelinge overeenkomst uit 1980 waarbij [betrokkene 1] zich garant stelde voor het dempen van een sloot met schoon puin, en de vraag of het bewijsaanbod van [eiser] omtrent deze afspraak toelaatbaar is. [Eiser] verkocht het perceel later aan een derde die bodemverontreiniging vaststelde, waarna [eiser] [betrokkene 1] aansprakelijk stelde voor schadevergoeding wegens het gebruik van verontreinigd puin.
De rechtbank wees aanvankelijk de vordering toe, maar vernietigde dit vonnis later en wees de vordering af. Het hof bekrachtigde dit oordeel. [Eiser] stelde cassatieberoep in tegen het oordeel dat het bewijsaanbod niet relevant was en dat de beoordeling van onzorgvuldig handelen moest plaatsvinden naar de maatstaven van 1980.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de uitleg van de mondelinge overeenkomst niet onjuist heeft toegepast en dat het bewijsaanbod terecht is gepasseerd omdat het niet relevant was voor de beoordeling van aansprakelijkheid. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat de maatstaf voor onzorgvuldig handelen de destijds geldende normen zijn, en dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd welke eisen destijds golden. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd, waarbij de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.