ECLI:NL:PHR:2009:BG4830
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt berekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerij
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, opgelegd door het Hof Amsterdam aan betrokkene wegens een hennepkwekerij. Betrokkene stelde in cassatie dat het hof ten onrechte was uitgegaan van een gemiddelde opbrengst van 17 gram hennep per plant, terwijl volgens hem een lagere opbrengst passend was. De Hoge Raad oordeelde dat dit verweer weliswaar een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt vormde, maar dat het hof hierop niet hoefde te reageren omdat het verweer ondeugdelijk was en berustte op een onjuiste interpretatie van het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium uit 1995.
De Hoge Raad benadrukte dat in ontnemingszaken het beginsel van redelijke verdeling van de bewijslast geldt en dat de veroordeelde feiten en omstandigheden moet aandragen die het standpunt ondersteunen. Betrokkene had dit nagelaten en ontkende zelfs ooit een oogst te hebben gehad. Verder bevestigde de Hoge Raad dat het hof niet verplicht was om gemotiveerd te reageren op kostenverweren die niet of onvoldoende waren onderbouwd.
Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof dat betrokkene verplichtte € 8.496,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen. Er werden geen gronden gevonden voor ambtshalve vernietiging van het arrest.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd, waarbij betrokkene verplicht wordt tot betaling van € 8.496,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel.