ECLI:NL:PHR:2008:BF3323
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening veroordeling wegens verblijf als ongewenst vreemdeling na EU-toetreding
De aanvrager, een Roemeense staatsburger, werd in 2003 tot ongewenst vreemdeling verklaard en in 2007 veroordeeld voor het als vreemdeling in Nederland verblijven terwijl hij wist dat hij ongewenst was. Na toetreding van Roemenië tot de EU per 1 januari 2007 werd de ongewenstverklaring door de staatssecretaris opgeheven met terugwerkende kracht tot die datum. De rechtbank verklaarde het beroep van de aanvrager gegrond en bepaalde dat de opheffing terugwerkende kracht heeft.
De Hoge Raad overwoog dat de herziening van het strafvonnis mogelijk is omdat het ernstig vermoeden bestaat dat de politierechter de aanvrager vrijgesproken zou hebben indien bekend was geweest dat de ongewenstverklaring was opgeheven. De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin terugwerkende kracht van opheffing of intrekking van ongewenstverklaringen werd erkend.
De Hoge Raad concludeert dat de herzieningsaanvraag gegrond is en beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijzing naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling. Dit arrest bevestigt dat opheffing van een ongewenstverklaring met terugwerkende kracht mogelijk is en gevolgen kan hebben voor strafrechtelijke veroordelingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak voor nieuwe behandeling vanwege terugwerkende opheffing van de ongewenstverklaring.