ECLI:NL:PHR:2008:BC4464
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot horen getuigen in ontnemingsprocedure cocaïnehandel
De zaak betreft een ontnemingsprocedure tegen een veroordeelde die bij het Hof te 's-Gravenhage is veroordeeld voor medeplegen van uitvoer van cocaïne naar Italië. De ontnemingsvordering betreft het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze drugshandel. In hoger beroep verzocht de verdediging om het horen van tien getuigen, waarvan het Hof negen verzoeken aanvankelijk afwees wegens onvoldoende onderbouwing. Op een volgende terechtzitting persisteerde de verdediging in het verzoek voor drie getuigen, maar ook dit werd door het Hof afgewezen.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het verzoek tot het horen van de overige zes getuigen als ingetrokken kon worden beschouwd en dat de afwijzing van het verzoek voor de drie overige getuigen terecht was. De maatstaf voor het horen van getuigen in een ontnemingsprocedure is of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door de afwijzing in zijn verdediging wordt geschaad. Het specifieke karakter van de ontnemingsprocedure en de bewijslastverdeling tussen partijen stelt hoge eisen aan de onderbouwing van een dergelijk verzoek.
Verder behandelt de Hoge Raad klachten over de wijze waarop het Hof de verklaring van de veroordeelde heeft samengevat en het oordeel over de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad bevestigt dat het Hof een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het selecteren van verklaringen en dat het oordeel over de verdeling van het voordeel tussen de veroordeelde en zijn vader niet onbegrijpelijk is.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het Hof, waarmee de ontnemingsvordering van ruim €3.900.000,- tegen de veroordeelde is gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering van ruim €3.900.000,- wordt gehandhaafd.