ECLI:NL:PHR:2007:BC0165
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herstelbeschikking wijziging geldigheidsduur voorwaardelijke machtiging Bopz
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een herstelbeschikking van de rechtbank Utrecht, waarbij de geldigheidsduur van een nieuwe voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet Bopz werd gewijzigd van zes maanden naar twaalf maanden. De rechtbank had deze wijziging zonder voorafgaand horen van betrokkene of haar raadsvrouwe doorgevoerd, wat in cassatie ter discussie stond.
De Hoge Raad oordeelt dat de herstelbeschikking in strijd is met art. 31 Rv Pro, omdat betrokkene niet is gehoord voorafgaand aan de wijziging, terwijl het ging om een wezenlijk onderdeel van de beschikking. Ook is de wijziging niet te kwalificeren als een eenvoudige herstelhandeling van een kennelijke fout. Daarnaast is vastgesteld dat betrokkene pas na het verstrijken van de reguliere cassatietermijn kennis kreeg van de herstelbeschikking, waardoor het beroep in cassatie tijdig werd geacht.
De Hoge Raad concludeert dat de herstelbeschikking niet in stand kan blijven en vernietigt deze, waardoor de oorspronkelijke beschikking met een geldigheidsduur tot 12 december 2007 herleeft. De materiële gronden van de machtiging blijven buiten beschouwing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de herstelbeschikking omdat betrokkene niet is gehoord en de wijziging niet als eenvoudige herstelhandeling kon worden aangemerkt.