ECLI:NL:PHR:2007:BA5801
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gegronde vrees voor niet-naleving verplichtingen
De verzoekster, een alleenstaande moeder van drie minderjarige kinderen, vroeg toelating tot de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van ruim 17.800 euro, waaronder terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand en telefoonschulden. De rechtbank en het hof wezen het verzoek af op grond van art. 288 lid 1 sub b Fw Pro, omdat gegronde vrees bestond dat zij de verplichtingen uit de regeling niet zou nakomen.
De Hoge Raad bevestigt dat de wettelijke maatstaf vereist dat wordt beoordeeld of de schuldenaar zich naar redelijke verwachting zal inspannen om de verplichtingen na te komen, waarbij enkel niet-toerekenbare tekortkomingen onvoldoende zijn voor afwijzing. In deze zaak oordeelde het hof terecht dat de omstandigheden van verzoekster, mede door het ontbreken van begeleiding en het niet ondernemen van stappen ter verbetering, aanleiding geven tot de verwachting dat zij haar verplichtingen niet zal nakomen.
Hoewel sympathie bestaat voor haar situatie, is het oordeel dat haar omstandigheden (mede) aan haar toegerekend mogen worden en dat de schuldsanering daardoor niet zal slagen, juridisch verdedigbaar. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gegronde vrees dat de schuldenaar haar verplichtingen niet zal nakomen.