ECLI:NL:PHR:2007:AZ8751
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens vertraagde vluchtelingentoelating ondanks onrechtmatige overheidsdaad
In deze zaak vordert een Iraanse vrouw schadevergoeding van de Staat wegens het vertraagd toekennen van haar vluchtelingenstatus, waardoor zij vijf jaar geen toegang had tot de Nederlandse arbeidsmarkt. De rechtbank wees de vordering af omdat de erkenning als vluchteling primair bescherming biedt tegen terugzending naar het land van herkomst en het recht op arbeid slechts een neveneffect is. Het hof vernietigde dit vonnis deels en kende vergoeding toe voor verlies van arbeidsvermogen en pensioenschade, maar wees smartengeld af.
De Staat stelde in cassatie dat de erkenning niet strekt tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen en dat de vordering daarom faalt op het relativiteitsvereiste van onrechtmatige daad. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de Staat onzorgvuldig handelde, maar oordeelt dat de toelating als vluchteling niet gericht is op het beschermen van vermogensschade zoals inkomensverlies.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de betekenis van het Vluchtelingenverdrag, de Vreemdelingenwet en de parlementaire geschiedenis, en concludeert dat het recht op arbeid voor vluchtelingen een neveneffect is van de toelating en niet het beschermde belang in de zin van het relativiteitsvereiste. De vordering tot schadevergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen wordt daarom afgewezen, ondanks de erkende onrechtmatigheid van het handelen van de Staat.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de schadevordering af omdat de toelating als vluchteling niet strekt tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen zoals arbeidsinkomen.