ECLI:NL:PHR:2007:AZ7908
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtiging voortgezet verblijf in niet-BOPZ-instelling volgens Wet Bopz
De zaak betreft een verzoek tot machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene, die op dat moment gedwongen verbleef in de psychiatrische afdeling van het Universitair Medisch Centrum (UMC) te Utrecht, een erkend psychiatrisch ziekenhuis volgens de Wet Bopz.
De rechtbank verleende de machtiging tot voortgezet verblijf in het UMC of een andere Bopz-inrichting. Betrokkene stelde in cassatie dat de machtiging onrechtmatig was omdat opname in het A.B.C.-huis, een instelling zonder Bopz-status, werd beoogd. De Hoge Raad overweegt dat de machtiging slechts geldig is voor verblijf in een instelling die als psychiatrisch ziekenhuis is erkend volgens art. 1 lid 1 onder Pro h Wet Bopz.
De rechtbank hoefde niet te onderzoeken of het A.B.C.-huis een Bopz-instelling is, omdat de machtiging alleen betrekking had op het UMC. Indien betrokkene wordt opgenomen in een niet-Bopz-instelling, kan hij die inrichting te allen tijde verlaten. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat gedwongen verblijf buiten een erkend psychiatrisch ziekenhuis niet mogelijk is op grond van de Wet Bopz.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat een machtiging tot voortgezet verblijf alleen geldt voor erkende psychiatrische ziekenhuizen.