ECLI:NL:PHR:2007:AZ2130
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herzieningsverzoek wegens ontoerekeningsvatbaarheid bij vernieling autospiegel
De aanvrager werd veroordeeld voor het opzettelijk vernielen van een buitenspiegel van een personenauto op 11 mei 2003. Hij stelde dat hij ten tijde van het feit leed aan een psychische stoornis (schizofrenie) die zijn toerekeningsvatbaarheid uitsloot. De Hoge Raad oordeelt dat nader onderzoek noodzakelijk is om vast te stellen of de stoornis aanwezig was op het moment van het delict en of deze stoornis het vernielen niet aan de aanvrager kan worden toegerekend.
De aangeleverde medische rapporten tonen aan dat de aanvrager sinds 2000 psychiatrisch behandeld werd en in 2001 en 2003 opgenomen was wegens psychotische episodes. Eerder ontsloeg het Hof de aanvrager van rechtsvervolging voor vernielingen gepleegd in december 2002 vanwege ontoerekeningsvatbaarheid. De Hoge Raad benadrukt dat voor herziening een ernstig vermoeden moet bestaan dat de rechter het feit niet aan de aanvrager zou hebben toegerekend indien hij bekend was geweest met de stoornis.
Hoewel het Hof het eerdere feit met een psychische stoornis verband bracht, ontbrak een specifiek deskundigenoordeel voor het feit van 11 mei 2003. De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van het Hof in combinatie met de medische stukken voldoende gewicht heeft om het ontbreken van een specifiek deskundigenrapport te compenseren. Daarom verklaart de Hoge Raad het herzieningsverzoek gegrond, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het Gerechtshof voor herbeoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek gegrond en verwijst de zaak voor herbeoordeling naar het Gerechtshof.