ECLI:NL:HR:2007:AZ2130
Hoge Raad
- Herziening
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs psychische stoornis ten tijde van vernieling
De aanvrager is veroordeeld voor het op 11 mei 2003 vernielen van een buitenspiegel van een personenauto. Hij verzocht om herziening van dit vonnis op grond van een psychische stoornis die hem ten tijde van het feit zou hebben beïnvloed. Diverse medische verklaringen en rapportages toonden aan dat de aanvrager sinds 2000 psychische problemen had, waaronder schizofrenie en psychotische episodes, en dat hij in 2003 opgenomen was wegens een ernstig psychotisch ziektebeeld.
De Hoge Raad beval een nader onderzoek naar de toestand van de aanvrager op of omstreeks 11 mei 2003 om te bepalen of het bewezenverklaarde feit hem niet kan worden toegerekend. Dit onderzoek bestond uit het horen van politieambtenaren over het gedrag van de aanvrager tijdens aanhouding en verhoor, en het horen van artsen en psychiaters over zijn psychische toestand.
De verklaringen van politieambtenaren gaven geen aanwijzingen dat het gedrag van de aanvrager opviel als psychotisch of bijzonder. Medische deskundigen gaven aan dat het niet met zekerheid vast te stellen was of de aanvrager op die datum psychotisch was, hoewel er aanwijzingen bestonden dat hij mogelijk een psychose had. De stukken en verklaringen konden echter geen ernstig vermoeden wekken dat de aanvrager ten tijde van het feit zodanig psychisch gestoord was dat het feit hem niet kan worden toegerekend.
Daarom oordeelde de Hoge Raad dat de aanvraag tot herziening ongegrond is en wees het verzoek af. De eerdere veroordeling tot een geldboete van €160,-, subsidiair 3 dagen hechtenis, blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onvoldoende bewijs dat de vernieling niet aan de aanvrager kan worden toegerekend.