ECLI:NL:PHR:2006:AV9445
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen verlenging uithuisplaatsing minderjarige kinderen
De zaak betreft een geschil tussen een gezinsvoogdij-instelling en ouders over de verlenging van de uithuisplaatsing van hun minderjarige kinderen. Na een zorgmelding en onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming werden de kinderen uit huis geplaatst vanwege een bedreigende en onveilige thuissituatie, met name door mishandeling door de vader. De kinderrechter en het hof hebben de uithuisplaatsing meerdere malen verlengd.
De ouders hebben tegen de beschikking van de rechtbank Haarlem van 2 juni 2005, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd tot 7 juni 2006, cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Het cassatieberoep richt zich echter feitelijk tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam, terwijl het verzoekschrift alleen een beschikking van de rechtbank vermeldt.
De Hoge Raad oordeelt dat de ouders niet-ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep omdat tegen de beschikking van de rechtbank hoger beroep openstond en het cassatieberoep niet tijdig en correct is ingesteld. Tevens is het belang bij het cassatieberoep komen te vervallen omdat de termijn van de uithuisplaatsing inmiddels is verstreken. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de ouders tegen de verlenging van de uithuisplaatsing is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het ontbreken van belang.