ECLI:NL:HR:2001:AB1009
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ondertoezichtstelling minderjarige en omgangsregeling na verstoorde communicatie ouders
De zaak betreft een verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn minderjarige dochter, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming de rechtbank verzocht de minderjarige onder toezicht te stellen voor een periode van één jaar om de omgang te begeleiden.
De moeder bestreed dit verzoek, maar de kinderrechter stelde het kind onder toezicht van de gezinsvoogdij-instelling en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het Gerechtshof bekrachtigde deze beschikking, waarna de moeder beroep in cassatie instelde.
De Hoge Raad oordeelde dat de moeder geen belang meer had bij het cassatieberoep omdat de ondertoezichtstelling inmiddels was geëindigd. Desondanks gaf de Hoge Raad een belangrijke overweging over de motiveringsvereisten voor ondertoezichtstelling in situaties waarin conflicten rond omgangsregelingen de ontwikkeling van het kind bedreigen.
De Hoge Raad stelde dat de rechter bij het opleggen van een ondertoezichtstelling niet alleen moet vaststellen dat de wettelijke gronden aanwezig zijn, maar ook concreet moet motiveren op welke gegevens hij baseert dat het kind ernstig wordt bedreigd en dat andere middelen hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen. Een enkel feit dat de omgangsregeling niet vrijwillig tot stand komt en dat het kind zonder contact met de vader bedreigd zou worden, is onvoldoende als motivering.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de moeder niet-ontvankelijk, maar benadrukte het belang van zorgvuldige motivering bij ondertoezichtstellingen in het kader van omgangsregelingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de moeder niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang na afloop van de ondertoezichtstelling.