ECLI:NL:PHR:2005:AS4610
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de geheimhoudingsplicht en de rol van de strafrechter bij schending daarvan
Verdachte, lid van Provinciale Staten Noord-Brabant, maakte vertrouwelijke stukken openbaar die onder een geheimhoudingsplicht vielen opgelegd door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 25 Provinciewet Pro. Deze geheimhouding betrof een Concept Statenvoorstel en een Memorandum of Understanding over de verkoop van aandelen van een provinciaal bedrijf.
De strafrechter veroordeelde verdachte wegens opzettelijke schending van de wettelijke geheimhoudingsplicht (art. 272 Sr Pro). Verdachte voerde aan dat de geheimhoudingsplicht onterecht was opgelegd en dat de strafrechter dit zelfstandig moest toetsen. Het hof verwierp dit verweer en stelde dat de beoordeling van de rechtmatigheid van de geheimhoudingsplicht aan het bestuursorgaan toekomt.
De Hoge Raad bevestigt deze taakverdeling en benadrukt dat de strafrechter slechts mag toetsen of de geheimhoudingsplicht formeel binnen de wettelijke regeling (artikel 25 Provinciewet Pro) valt, niet of de inhoudelijke redenen voor geheimhouding juist zijn. Ook wordt bevestigd dat tijdelijke geheimhouding mogelijk is en dat het niet bekrachtigen door Provinciale Staten de geheimhouding niet met terugwerkende kracht doet vervallen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling van verdachte voor opzettelijke schending van de geheimhoudingsplicht. De uitspraak benadrukt de scheiding tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke toetsing bij geheimhouding binnen provinciaal bestuur.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte voor opzettelijke schending van de geheimhoudingsplicht.