ECLI:NL:HR:2001:ZD1870

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
00511/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.M.M. Orie
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 328 SvArt. 330 SvArt. 101a RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 17 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens ontbreken herhaling verweren in hoger beroep

In deze strafzaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage de verdachte veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van valse of vervalste geschriften en het onjuist en onvolledig doen van belastingaangifte, met een gevangenisstraf van drie jaar en een geldboete van honderdduizend gulden.

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. Een van de klachten was dat het hof niet op bepaalde verweren had beslist. De Hoge Raad oordeelde dat deze verweren niet uitdrukkelijk waren herhaald tijdens de terechtzitting in hoger beroep, ondanks dat zij in de pleitnotitie in eerste aanleg waren opgenomen. Het hof was daarom niet gehouden daarop te beslissen.

De overige middelen tot cassatie werden eveneens verworpen, zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad concludeerde dat er geen grond was voor ambtshalve vernietiging van het arrest en verwierp het cassatieberoep. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 10 juli 2001.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens het niet uitdrukkelijk herhalen van verweren in hoger beroep.

Uitspraak

10 juli 2001
Strafkamer
nr. 00511/00
ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 juli 1999, nummer 22/000920-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 7 december 1998 - de verdachte ter zake van 1. en 2. "opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd" en 3. "opzettelijk een bij de belastingwet voorzien aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf, alsmede tot een geldboete van éénhonderdduizend gulden, subsidiair driehonderdzestig dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt erover dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een tweetal verweren.
3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt onder meer in:
"De raadsman verwijst voor de in eerste aanleg gevoerde verweren naar de desbetreffende passages in zijn in eerste aanleg overgelegde pleitnota, die als bijlage is gevoegd bij zijn pleitnota in hoger beroep. Hij beschouwt deze verweren als te zijn herhaald".
3.3. Het Hof was niet gehouden om een beslissing te geven omtrent de in het middel bedoelde verweren, die weliswaar zijn opgenomen in de pleitnotitie van de raadsman in eerste aanleg, doch waarvan niet blijkt dat die ter terechtzitting in hoger beroep door of namens de verdachte uitdrukkelijk zijn herhaald. Als zodanige herhaling kan niet gelden dat, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, de raadsman in algemene zin heeft aangegeven dat hij blijft bij hetgeen is vermeld in de pleitnotitie aan de hand waarvan hij het woord heeft gevoerd bij de Rechtbank (vgl. HR 30 juni 1998, NJ 1999, 60).
Dat wordt niet anders door hetgeen de raadsman nog nader in zijn ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft vermeld met betrekking tot de herhaling en inlassing van de in eerste aanleg gevoerde verweren en verzoeken, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.
3.3. Het middel kan daarom bij gebreke van feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 juli 2001.