ECLI:NL:HR:2005:AS4610
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geheimhoudingsplicht en strafuitsluitingsgronden bij schending artikel 272 Sr
In deze strafzaak werd verdachte veroordeeld voor het opzettelijk schenden van een geheimhoudingsplicht zoals bedoeld in artikel 272 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De geheimhouding was opgelegd door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 25 lid 2 van Pro de Provinciewet voor documenten die volgens hen onder de Wet Openbaarheid van Bestuur vielen.
Verdachte stelde dat de geheimhoudingsplicht onterecht was opgelegd omdat de documenten geen gegevens bevatten die geheim mochten zijn. Hij voerde aan dat de strafrechter zelfstandig moest beoordelen of de geheimhoudingsplicht terecht was opgelegd. Het hof verwierp dit en stelde dat de beoordeling van de rechtmatigheid van de geheimhouding aan Gedeputeerde Staten toekomt.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de strafrechter zich beperkt tot het formeel toetsen van de geheimhoudingsplicht. Wel kan de strafrechter beoordelen of de niet-naleving van de geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd is op grond van strafuitsluitingsgronden zoals noodtoestand. Het beroep van verdachte werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor opzettelijke schending van een wettelijke geheimhoudingsplicht en wijst het cassatieberoep af.