ECLI:NL:HR:2004:AF7863
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C. B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt teruggaaf loonbelasting bij overdracht pensioenkapitaal aan niet-toegelaten verzekeraar
Belanghebbende, voormalig werknemer van een Nederlandse BV, had in september 1998 een bedrag van ƒ 264.153 aan loonbelasting ingehouden gekregen op zijn pensioenkapitaal, nadat hij dit had laten overmaken naar een Belgische verzekeraar die niet tot de in de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde categorieën van toegelaten verzekeraars behoorde. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze inhouding, dat werd afgewezen door de Inspecteur, waarna hij in beroep ging bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en bepaalde dat de ingehouden loonbelasting aan belanghebbende moest worden teruggegeven.
De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad overwoog dat het Hof terecht had geoordeeld dat de aanspraak op het pensioenkapitaal een pensioenvoorziening betrof zoals bedoeld in het belastingverdrag Nederland-België en dat de wetgever met artikel 11c van de Wet op de loonbelasting 1964 een regeling had getroffen die dubbele heffing bij overdracht van pensioenkapitaal moest voorkomen.
De Hoge Raad verwierp het middel van de Staatssecretaris dat stelde dat de overdracht aan een niet-toegelaten verzekeraar tot het loon van belanghebbende moest worden gerekend. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 11c, lid 2, van de Wet een aparte regeling bevat die een overdracht gelijkstelt aan afkoop van de pensioenaanspraak, en dat dit in dit geval van toepassing was. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de teruggaaf van loonbelasting aan belanghebbende bevestigd.