ECLI:NL:HR:2004:AF7824

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37978
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet op de loonbelasting 1964Art. 11b Wet op de loonbelasting 1964Art. 11c Wet op de loonbelasting 1964Art. 18 Belastingverdrag Nederland-BelgiëArt. 15 Belastingverdrag Nederland-België
Verwijzingen
5 uitgaand · 13 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onrechtmatigheid naheffingsaanslag pensioenoverdracht aan niet-toegelaten verzekeraar

Belanghebbende, woonachtig in België sinds augustus 1994, kreeg over 1995 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 1.517.915. Deze aanslag werd verminderd door het Hof 's-Hertogenbosch na bezwaar en beroep omdat de naheffingsaanslag was gebaseerd op de overdracht van een pensioenverplichting aan een Belgische verzekeraar die niet tot de toegelaten categorieën van artikel 11b van de Wet op de loonbelasting 1964 behoort.

De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof, stellende dat de aanspraak op pensioen door de overdracht niet langer een pensioenaanspraak was en dat de aanspraak daarom tot het loon moest worden gerekend. De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever met artikel 11c van de Wet een fictieregeling heeft getroffen die dubbele heffing kan veroorzaken en daarmee in strijd is met het doel en de strekking van het belastingverdrag Nederland-België.

De Hoge Raad verwierp het middel van de Staatssecretaris dat de overdracht aan een niet-toegelaten verzekeraar zou leiden tot het verval van de pensioenaanspraak en bevestigde dat artikel 11c, lid 2, van de Wet een aparte regeling bevat die overdracht gelijkstelt aan afkoop. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt de vermindering van de aanslag door het Hof.

Uitspraak

Nr. 37.978
23 januari 2004
EC
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 januari 2002, nr.BK-99/01766, betreffende de aan X te Z (België) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.
1. Inhouding, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.517.915. Belanghebbende heeft tegen die aanslag bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft deze uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 296.404. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 12 maart 2003 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende woonde tot augustus 1994 in Nederland en is toen verhuisd naar België, waar hij ook in 1995 woonde. Toen hij in Nederland woonde, was hij in dienstbetrekking bij C B.V. of een rechtsvoorganger van die vennootschap. Ten aanzien van die dienstbetrekking is aan belanghebbende een pensioenrecht verleend door A B.V., een vennootschap opgericht naar Nederlands recht en sinds 16 augustus 1994 feitelijk gevestigd op de Nederlandse Antillen. In december 1995 is, met toestemming van belanghebbende, de jegens hem bestaande pensioenverplichting door A B.V. overgedragen aan B N.V., een in België gevestigde verzekeraar. B behoort niet tot de in artikel 11b van de Wet op de loonbelasting 1964, tekst 1995 (hierna: de Wet) genoemde categorieën van toegelaten verzekeraars.
3.1.2. De Inspecteur heeft in verband met de onder 3.1.1 genoemde overdracht met toepassing van artikel 11c van de Wet een bedrag van ƒ 1.221.511 aangemerkt als door belanghebbende genoten inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en het aangegeven belastbare inkomen met dat bedrag gecorrigeerd.
3.2. Tussen partijen was voor het Hof in geschil of die correctie terecht is aangebracht.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld:
- dat de onderhavige aanspraak naar haar aard een voorziening is voor een pensioen als bedoeld in artikel 18 van Pro het (oude) Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970 (hierna: het Verdrag);
- dat artikel 11c van de Wet niet bewerkstelligt dat de betreffende aanspraak geen pensioenaanspraak meer is;
- dat artikel 11c, lid 2, niet inhoudt dat op het tijdstip, onmiddellijk voorafgaande aan de overdracht van de pensioenverplichting aan een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 11b, lid 1, letters a, b, d of e van de Wet, de in het verleden toegekende vrijstelling op de pensioenaanspraak wordt teruggedraaid;
- dat de wetgever met artikel 11c van de Wet heeft getracht bij wege van fictie het begrip inkomen in de zin van artikel 15 en Pro volgende van het Verdrag uit te breiden, zulks na de totstandkoming van het Verdrag en op een zodanige wijze dat daardoor dubbele heffing kan ontstaan;
- dat de wetgever daarmede in strijd is gekomen met doel en strekking van het Verdrag.
3.4. Het middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat de naheffingsaanslag niet uitsluitend was gebaseerd op het bepaalde in artikel 11c, lid 2, van de Wet, maar eveneens op het bepaalde in artikel 11c, lid 1, van de Wet.
3.5. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat de overdracht van het pensioenkapitaal aan B - die gelet op het bepaalde in artikel 11b van de Wet niet kan optreden als verzekeraar van een pensioen - tot gevolg had dat de aanspraak op pensioen niet langer was aan te merken als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 11, lid 3, van de Wet, en dat reeds die omstandigheid tot gevolg had dat de (waarde van) aanspraak op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip ingevolge het bepaalde in artikel 11c, lid 1, aanhef, letter a, en slot, van de Wet tot het loon van belanghebbende was gaan behoren.
Aldus miskent het middel evenwel dat de wetgever, zoals in onderdeel 4.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal is uiteengezet, in artikel 11c, lid 2, van de Wet voor de gevallen van overdracht van pensioenkapitaal
een aparte regeling heeft getroffen waarbij een dergelijke overdracht is gelijkgesteld aan afkoop van de pensioenaanspraak. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel moet worden aangenomen dat de wetgever derhalve ervan is uitgegaan, dat in een dergelijk geval het bepaalde in artikel 11c, lid 2, van de Wet van toepassing is en niet het bepaalde in artikel 11c, lid 1, aanhef, letter a, en slot, van de Wet. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2004.
Van de Staatssecretaris wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 348.