ECLI:NL:PHR:2004:AP1492
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking schadevergoedingsvordering benadeelde partij in hoger beroep
In deze zaak gaat het om de omvang van de schadevergoedingsvordering van de benadeelde partij in hoger beroep. De benadeelde partij had in eerste aanleg een schadevergoeding gevorderd van fl. 3.753,-- (€ 1.703,04), bestaande uit materiële kosten, een voorschot medische kosten en smartengeld. In hoger beroep verhoogde zij deze vordering tot € 3.166,31, onder meer op basis van een begroting van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam.
Het hof wees in hoger beroep een hoger bedrag toe dan in eerste aanleg was gevorderd. De verdediging betoogde dat dit niet was toegestaan omdat de benadeelde partij in hoger beroep geen nieuwe schadeposten mag opvoeren of het gevorderde bedrag mag verhogen. De Hoge Raad bevestigt deze regel uit eerdere jurisprudentie (HR NJ 1998, 449) en vernietigt het hofarrest voor zover het de hogere vordering toewijst.
Daarnaast is in het geding het verzoek van de verdediging om een schouw te houden ter plaatse van het incident. Het hof oordeelde dat de schouw niet noodzakelijk was omdat voldoende foto's beschikbaar waren en de verdediging geen belang meer had bij een schouw. De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk en verwerpt de middelen die dit betreffen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor zover het de vordering van de benadeelde partij betreft en wijst deze toe tot het bedrag dat in eerste aanleg was toegewezen. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het een hogere schadevergoeding toekent dan in eerste aanleg gevorderd en wijst de vordering toe tot het oorspronkelijke bedrag.