ECLI:NL:PHR:2003:AF3366
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vervolging door politiesecretaris niet rechtsgeldig wegens ontbreken mandaat en functionele afstand tot parket
In deze zaak stond centraal of de beslissing tot vervolging door een politiesecretaris, die rechtspositioneel politieambtenaar is maar feitelijk werkzaam voor het parket, rechtsgeldig kon worden genomen. Het hof had geoordeeld dat de politiesecretaris bevoegd was tot het uitbrengen van de dagvaarding op basis van een schriftelijk mandaat en feitelijke werkzaamheden voor het parket. De raadsman van verdachte had echter betoogd dat de dagvaarding nietig was omdat deze door een politiefunctionaris was opgemaakt, wat het hof verwierp.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van art. 126 RO Pro de bevoegdheid tot vervolging slechts kan worden gemandateerd aan een ambtenaar die daadwerkelijk bij het parket werkzaam is en dat mandaat aan politieambtenaren niet is toegestaan. Hoewel de politiesecretaris in kwestie een opleiding had gevolgd en beëdigd was als onbezoldigd parketsecretaris, was hij rechtspositioneel politieambtenaar, werd hij beoordeeld door een politiehiërarchie en verrichtte hij zijn werkzaamheden op een politiebureau. Hierdoor ontbrak de vereiste functionele afstand tot het opsporingsapparaat en het parket.
De Hoge Raad stelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de politiesecretaris als werkzaam voor het parket kon worden aangemerkt in de zin van art. 126 RO Pro. De mandatering was niet rechtsgeldig en de dagvaarding daarom niet geldig uitgereikt. Daarnaast verwierp de Hoge Raad het verzoek van de raadsman om een getuige te horen wegens onvoldoende specificatie. De zaak werd vernietigd en verwezen naar een ander hof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De dagvaarding is nietig verklaard omdat de vervolgingsbeslissing onrechtmatig door een politiesecretaris zonder geldig mandaat is genomen.