ECLI:NL:HR:2001:AD4457
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Nietigheid dagvaarding wegens onbevoegde beslissing tot vervolging door opsporingsambtenaar
In deze strafzaak werd verdachte ten laste gelegd dat hij op 29 december 1998 onder invloed van alcohol een motorrijtuig bestuurde met een ademalcoholgehalte van 765 microgram per liter, ruim boven de wettelijke limiet. De dagvaarding werd door een opsporingsambtenaar uitgereikt op basis van een algemene opdracht van de officier van justitie, zonder dat sprake was van een individuele beslissing tot dagvaarding door een bevoegde ambtenaar.
Het hof stelde vast dat de beslissing tot vervolging niet aan politieambtenaren kan worden gemandateerd en dat deze beslissing voorbehouden is aan de officier van justitie of een daartoe gekwalificeerde parketambtenaar. Het hof verklaarde de dagvaarding daarom nietig. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees op het belang dat de vervolgingsbeslissing per verdachte afzonderlijk en met inachtneming van de omstandigheden wordt genomen.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en de wettelijke regeling in art. 126 RO Pro, die mandatering onder voorwaarden toestaat, maar benadrukte dat een algemene, categorale opdracht aan opsporingsambtenaren niet toereikend is. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee de nietigheid van de dagvaarding definitief werd vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de nietigheid van de dagvaarding wegens onbevoegde beslissing tot vervolging.