1 Zie Asser-Kleijn, Bijzondere overeenkomsten, deel IV, vierde/vijfde druk, blz. 168 en art. 7A:1703, eerste lid, BW.
2 Zie Asser-Kleijn, a.w., blz. 176.
3 Zie J.W. Zwemmer, Schenking, derde druk, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1995, blz. 10.
4 Zie art. 1, tweede lid, SW.
5 Zie Gr. van der Burght, Sint Nikolaas is geen B.V., Weekblad 1977/5315, blz. 406.
6 Zie ook E.M. Meijers, De algemene begrippen van het burgerlijk recht, Universitaire pers Leiden, 1948, blz. 170 e.v.
7 H.A. Drielsma, De psychologie van de vrijgevige rechtspersoon, NJB 1978/41, blz. 899-905.
8 Zie HR 14 mei 1941, NJ 1941, no. 925, m.nt. P. Scholten.
9 Zie H.A. Drielsma, t.a.p., blz. 904.
10 Zie K.L.H. van Mens, Civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten van het schenkingsbegrip, Kluwer, Deventer, 1985, blz. 73.
12 Zie over deze problematiek onder meer: Hof Arnhem 9 juli 1976, BNB 1978/35, de conclusie van A-G Moltmaker voor HR 3 februari 1988, BNB 1988/131, m.nt. Laeijendecker en Gr. van der Burght, Namen Noemen, Weekblad 1988/5816.
13 De statutaire doelomschrijving van de rechtspersoon kan voor deze toerekeningsvraag als hulpmiddel dienst doen, maar is geenszins doorslaggevend. Een rechtspersoon kan een buiten haar statutaire doelomschrijving gelegen vrijgevige handeling verrichten zonder dat sprake is van persoonlijke belangenbehartiging door haar bestuurder(s) en/of gerechtigde(n) tot haar vermogen. Aangezien als uitgangspunt heeft te gelden dat de natuurlijke persoon handelt in het belang van de rechtspersoon staat het buitenstatutaire karakter van het handelen niet aan een schenking door de rechtspersoon in de weg.
14 Voor een opsomming wordt verwezen naar de conclusie van A-G Moltmaker voor het arrest van 15 juni 1994, BNB 1994/261, m.nt. G. Laeijendecker, gepubliceerd in de NJ 1995/577, m.nt. W.M. Kleijn.
15 Zie H.A. Drielsma, Liberaliteit, causaliteit en finaliteit bij schenking, WPNR 1966/4897, blz. 125.
16 Zie Gr. van der Burght en J.P. Penders, Schenking, Kluwer, Deventer, 1989, blz. 58.
17 Zie Gr. van der Burght en J.P. Penders, a.w., blz. 59.
18 Zie naar aanleiding van dit arrest en de daarvoor genomen conclusie J. Polman, Bedenking bij een schenking; een bewerkt verslag, Moltmakerbundel Vorm & Norm, blz. 199 e.v.
19 Zie de noot van Laeijendecker onder BNB 1994/261.
20 Vgl. HR 4 mei 1983, BNB 1983/233, m.nt. J. Verburg.
21 Zie J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Kluwer, Deventer, 2000, blz. 233 en 234.
22 Objectivering kan, afhankelijk van de maatvoering, nadelen hebben, hoe zeer ook als voordeel kan gelden dat de voor de inspecteur lastige bewijslevering aanzienlijk vergemakkelijkt wordt. J. Verburg, a.w., blz. 237, merkt op: "In een op de spits gedreven objectivering is geen plaats voor de twijfel, zodat het voordeel van die twijfel aan de belastingplichtige voorbijgaat. Het minste kwaad bestaat toch altijd nog in een situatie, waarin een belastingplichtige ten onrechte vrijuit gaat."
23 Zie de definitie van de vrijgevigheid onder 4.1.
24 Verburg, a.w., blz. 248 licht het fenomeen als volgt toe: "De gedachtegang is deze dat al heeft de vermogensverschuiving zich ten laste van de vennootschap voltrokken naar een derde toe, welke derde de aandeelhouderskwaliteit niet bezit, zulks niettemin is geschied ter wille en ten gerieve van de aandeelhouders, zodat zij het zijn, aan wie de uitdeling "langs een omweg" ten goede is gekomen."
25 Indien de bevoordeling in onmiddellijke zin plaatsvindt tussen rechtspersonen zal bij de ontvangende vennootschap storting van informeel kapitaal moeten worden aangenomen, althans indien de gerechtigde tot haar vermogen de begiftigde is.
26 Zie in afwijkende zin het rapport van 13 maart 2000 van de Werkgroep Modernisering Successiewetgeving.
27 Zie. M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Kluwer, Deventer, 1999, blz. 345