Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 27 januari 1992 betreffende de aan hem ter zake van de hierna vermelde verkrijging voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in het recht van schenking.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en bij ontbinding van het huwelijk werd hij overbedeeld met een aanzienlijk bedrag. De ex-echtgenote stemde op morele gronden in met deze overbedeling en wenste een deel van haar toekomende vermogen niet toe te wijzen.
Belanghebbende stelde dat deze overbedeling niet als schenking moest worden beschouwd omdat het niet uit vrijgevigheid voortkwam, maar uit morele motieven. Het Hof oordeelde echter dat de bevoordeling uit vrijgevigheid plaatsvond omdat de ex-echtgenote de bevoordeling bewust en gewild heeft, ondanks haar motief.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat voor het aannemen van vrijgevigheid voldoende is dat degene die verarmd is de verrijking van de andere partij heeft gewild. Het beroep van belanghebbende werd verworpen.
De uitspraak bevestigt dat morele motieven de kwalificatie als schenking niet uitsluiten wanneer de verarming en verrijking bewust en gewild zijn.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; de overbedeling wordt als schenking aangemerkt.