ECLI:NL:PHR:2001:AA9390
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vrijstelling omzetbelasting voor diensten merchant bank bij fusie
De zaak betreft een geschil over de vraag of de door Morgan Stanley International aan belanghebbende in rekening gebrachte vergoeding voor diensten in het kader van een fusie zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Belanghebbende stelde dat de diensten van Morgan, gericht op het tot stand brengen van de fusie en de daarbij behorende aandelentransacties, onder de vrijstelling van art. 11 lid 1 onderdeel Pro i 2° Wet OB 1968 (en de corresponderende Europese vrijstelling) vallen.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de diensten van Morgan niet onder deze vrijstelling vallen, omdat het ging om voorbereidings- en adviserende werkzaamheden die niet als handelingen inzake aandelen of deelnemingen konden worden aangemerkt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, waarbij alleen de daadwerkelijke transacties en bemiddeling daarbij zijn vrijgesteld, niet de voorbereidende werkzaamheden.
De Hoge Raad behandelt ook de vraag of de diensten als één complex moeten worden gezien en concludeert dat de stelling dat sprake zou zijn van een hoofddienst met nevendiensten niet in cassatie kan worden onderzocht. Verder wordt ingegaan op de uitleg van de Zesde richtlijn en relevante jurisprudentie, waarbij het arrest SDC van het HvJ EG centraal staat. De conclusie is dat de diensten van Morgan niet onder de vrijstelling vallen en dat het cassatieberoep ongegrond is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de door Morgan verleende diensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting.