Conclusie
eerstemiddel wordt gesteld dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op een in eerste en in tweede aanleg gedaan beroep op nietigheid van de dagvaarding wegens onvoldoende duidelijkheid van de omschrijving van het onder 1 telastegelegde. Het verweer waarover het gaat staat op p. 7 van de pleitaantekeningen, die aan het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 12 februari 1991 zijn gevoegd en waarvan de inhoud in hoger beroep is herhaald (zie pleitaantekeningen hoger beroep, p. 1).
tweedemiddel is dat het hof niet heeft gereageerd op een beroep op onrechtmatigheid van de bewijsverkrijging (de officier van justitie zou op ‘’misleidende gronden’’ een gerechtelijk vooronderzoek hebben gevorderd). Het is juist dat het hof op het bedoelde verweer geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven. Wel heeft het hof een op dezelfde feitelijke gronden gebaseerd beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie gemotiveerd van de hand gewezen. De verwerping van laatstbedoeld beroep houdt de gronden van verwerping van het beroep onrechtmatigheid van de bewijsgaring in. Daarmee is ook dit verweer weerlegd. Vgl. Hr DD 86.265: overwegingen omtrent de aanwezigheid van voorwaardelijk opzet impliceren de gronden voor de verwerping van een beroep op afwezigheid van alle schuld. Het middel is ongegrond.
derdemiddel betreft het al in het eerste middel bedoelde (bewijs- of kwalificatie-) verweer: het hof zou ten onrechte ‘’de bedrijfsadministratie’’ hebben aangemerkt als een geschrift in de zin van art. 225 Sr Pro.
in de zin van art. 225 Sr Pro. Vgl. HR 29 mei 1984, NJ 1985, 6 (rubr. 6.3). Het derde middel is in zijn geheel ongegrond.
vijfdemiddel wordt in de eerste plaats gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verzoeker
opzettelijkonjuist aangifte heeft gedaan door middel van
vanwege hemingevulde en ondertekende aangiftebiljetten.
Ten aanzien van het onder 1 primair telastegelegde’’ is vermeld en dat de bedoeling van het hof is geweest dat het kopje op p. 5 (‘’
Ten aanzien van het onder 1 primair en 3 telastegelegde’’) betrekking heeft niet alleen op de bewijsmiddelen 2 en 3, maar (zie de opstelling van het rechtbankvonnis) ook op de bewijsmiddelen 4 tot en met 9. In een verbeterde lezing van het arrest is de bewijsvoering, ook op beide in het middel bedoelde punten, rond.