“2.
[A] (hierna [A] ) in de periode van 21 februari 2013 tot en met 14 mei 2013 te Hillegom , tezamen en in vereniging met een ander, (een deel van) de bedrijfsadministratie van [A] – zijnde een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt,
immers hebben [A] en haar mededader toen aldaar, zakelijk weergegeven, in (dat deel van) die bedrijfsadministratie, valse facturen, te weten:
- een factuur van [B] d.d. 14 april 2011, met factuurnummer 2011023; en
- een factuur van [C] d.d. 22 september 2011, met factuurnummer 11126; en
- een factuur van [D] d.d. 2 februari 2012, met factuurnummer 20120042; en
- een factuur van [E] d.d. 3 september 2012, met factuur nummer 1450
opgenomen bestaande die valsheid hierin – zakelijk weergegeven – dat:
- in voornoemde facturen enige werkzaamheden voor [A] waren verricht en/of materialen waren geleverd en/of gemonteerd,
zulks met het oogmerk om (dat deel van) deze bedrijfsadministratie als echt te gebruiken, hebbende hij, verdachte, feitelijk leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedragingen;
3.
[A] (hierna [A] ) in of omstreeks de periode april en/of mei 2013 te Hillegom , tezamen en in vereniging met een ander, zijnde degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
immers hebben [A] en haar mededader toen en daar in het kader van een boekenonderzoek
- een “overeenkomst van geldlening” tussen [betrokkene 1] en [A] en
- een factuur van [B] d.d. 14 april 2011, met factuurnummer 2011023; en
- een factuur van [C] d.d. 22 september 2011, met factuurnummer 11126;
te beschikking gesteld aan een medewerker van de Belastingdienst Hoofddorp, in welke geschriften in strijd met de waarheid stond vermeld dat een lening was verstrekt en/of enige werkzaamheden voor [A] waren verricht en/of materialen waren geleverd en/of gemonteerd, hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegevens aan de vorenstaande verboden gedragingen;
4.
[A] (hierna [A] ), in de periode van 1 januari 2013 tot en met 14 mei 2013 te Hillegom (een deel van) de bedrijfsadministratie van [A] – zijnde (dat deel van) die bedrijfsadministratie een geschift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt,
immers heeft [A] toen aldaar, zakelijk weergegeven, in (dat deel van) die bedrijfsadministratie een valse “overeenkomst geldlening” tussen [betrokkene 1] en [A] opgenomen, bestaande die valsheid hierin – zakelijk weergegeven – dat:
- in voornoemde overeenkomst een geldlening was vermeld dat [A] een bedrag van EUR 200.000 van [betrokkene 1] heeft geleend,
zulks met het oogmerk om (dat deel van) deze bedrijfsadministratie als echt te gebruiken, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedragingen.”
5. De stellers van het middel klagen allereerst dat het hof ten onrechte onder 2 en 4 heeft bewezenverklaard dat “ [A] zich (telkens) schuldig heeft gemaakt aan valsheid van een deel van de bedrijfsadministratie”, aangezien een deel van de bedrijfsadministratie niet kan worden aangemerkt als een geschrift als bedoeld in art. 225, eerste lid, Sr. Ten tweede wordt geklaagd dat het hof het onder 2 bewezenverklaarde feit ten onrechte en in strijd met de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR)als een strafbaar feit heeft gekwalificeerd, nu het hof ook heeft vastgesteld dat fiscaal gebruik is gemaakt van dit valse geschrift.