Uitspraak
[woonplaats].
Ten aanzien van het onder 3 telastegelegde’ gehanteerde bewijsmiddelen van de ‘valse’ factureren waarop blijkens de bewezenverklaring ‘voorbelasting’ zou zijn betaald.
2 november 1993.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd verdachte beschuldigd van valsheid in geschrift door het opnemen van valse facturen in de bedrijfsadministratie en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Het Hof Amsterdam vernietigde een eerdere uitspraak en veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete.
Verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof onterecht de bedrijfsadministratie als een geschrift in de zin van art. 225 Sr Pro had aangemerkt en dat het bewijs onvoldoende was gemotiveerd. Ook voerde hij aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen door misleidende gronden voor het gerechtelijk vooronderzoek.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat een bedrijfsadministratie als geheel als geschrift kan worden aangemerkt, hoewel dit niet zonder meer betekent dat elke administratie als zodanig geldt. Het hof had voldoende gemotiveerd waarom het bewijs toereikend was en had het beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM verworpen omdat de rechter-commissaris het gerechtelijk vooronderzoek had goedgekeurd. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling voor valsheid in geschrift en onjuiste belastingaangiften blijft in stand.