ECLI:NL:OGEAC:2025:277

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
CUR202500799
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over naheffingsaanslag en verzuimboete winstbelasting in belastingzaak

In deze zaak heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een belastingzaak waarbij belanghebbende, gevestigd te Curaçao, in beroep ging tegen de beslissing van de Inspecteur der Belastingen. De Inspecteur had op 21 juni 2024 een naheffingsaanslag en verzuimboete winstbelasting opgelegd voor het jaar 2022. Belanghebbende had een deel van de verschuldigde belasting betaald vóór de oplegging van de naheffingsaanslag, maar de Inspecteur handhaafde de boete. Het Gerecht oordeelde dat de verzuimboete moest worden verminderd naar het minimum van NAf 1.000, omdat belanghebbende niet tijdig de volledige belasting had betaald, maar wel een substantieel bedrag had voldaan voordat de naheffingsaanslag werd opgelegd. Het Gerecht volgde de Inspecteur niet in zijn stelling dat de boete op een andere manier berekend moest worden en concludeerde dat de boete passend was in het licht van de omstandigheden. De kosten van het beroep werden ook vergoed aan belanghebbende, en de Inspecteur werd opgedragen het betaalde griffierecht terug te betalen.

Uitspraak

Uitspraak van 16 december 2025
BBZ nr. CUR202500799
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],gevestigd te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende zijn op 21 juni 2024 een naheffingsaanslag en verzuimboete winstbelasting (WB) over het jaar 2022 opgelegd. Op het aanslagbiljet staan de volgende gegevens:
Naheffingsaanslag:
Verschuldigde belasting:
NAf.
48.691,00
Tijdig betaald / Reeds aangeslagen:
NAf.
-
Naheffingsbedrag:
NAf.
48.691,00
Boete:
NAf.
7.303,00
+
Sub totaal:
NAf.
55.994,00
Te laat betaald:
NAf.
43.191,00
-
Te betalen:
NAf.
12.803,00
1.2
Belanghebbende heeft op 10 juli 2024 daartegen bezwaar gemaakt.
1.3
De Inspecteur heeft op 9 januari 2025 uitspraak op bezwaar gedaan en de naheffingsaanslag en verzuimboete gehandhaafd.
1.4
Belanghebbende heeft op 7 maart 2025 beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.5
De Inspecteur heeft op 24 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
1.6
De zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen mr. [A], verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [B]

2.FEITEN

2.1
Belanghebbende heeft op 31 maart 2023 de voorlopige aangifte winstbelasting voor het jaar 2022 ingediend. De verschuldigde winstbelasting volgens de voorlopige aangifte bedraagt NAf 5.500. Belanghebbende heeft de op de voorlopige aangifte verschuldigde winstbelasting niet betaald.
2.2
Belanghebbende heeft op 29 december 2023 de definitieve aangifte winstbelasting voor het jaar 2022 ingediend. De verschuldigde winstbelasting volgens de definitieve aangifte bedraagt NAf 48.691. Belanghebbende heeft op 5 januari 2025 een bedrag van NAf 43.191 (NAf 48.691 – NAf 5.500) aan winstbelasting betaald.
2.3
De naheffingsaanslag en verzuimboete zijn opgelegd vanwege het (gedeeltelijk) niet (tijdig) betalen van de op aangifte aangegeven verschuldigde belasting. Bij de hoogte van de verzuimboete is de Inspecteur uitgegaan van een derde of volgend verzuim (15% van NAf 48.691).

3.GESCHIL

3.1
In geschil is of de verzuimboete WB over het jaar 2022 naar de juiste hoogte is opgelegd.

4.OVERWEGINGEN

4.1
Op grond van artikel 15, lid 2 van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (ALL) is de belastingplichtige gehouden op de laatste dag van de derde maand na afloop van het boekjaar over dat jaar voorlopige aangifte te doen en de belasting overeenkomstig die aangifte te betalen bij de Ontvanger. Uitstel voor het indienen van een voorlopige aangifte is niet mogelijk.
4.2
Op grond van artikel 15, lid 4, ALL is de belastingplichtige gehouden uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het boekjaar over dat jaar definitieve aangifte te doen en de belasting overeenkomstig die aangifte te betalen bij de Ontvanger.
4.3
Op grond van artikel 19, lid 1 van de ALL kan de Inspecteur indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft betaald een boete van ten hoogste NAf 10.000 opleggen.
4.4
Nadere regels voor het opleggen van boetes zijn opgenomen in Hoofdstuk IV van de Ministeriele regeling formeel belastingrecht (hierna: de regeling).
4.5
Ingevolge artikel 4.6, lid 2 aanhef en letter a van de Regeling legt de Inspecteur indien de belastingplichtige voor de winstbelasting de op aangifte verschuldigde belasting niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig heeft betaald, in geval van een eerste verzuim “
een boete op van 5% van het bedrag van de naheffingsaanslag met een minimum van NAf 50,-- en een maximum van NAf 2.500,--” in geval van een tweede verzuim “
een boete op van 10% van het bedrag van de naheffingsaanslag met een minimum van NAf 500,-- en een maximum van NAf 5.000,--” in geval van een derde of volgend verzuim “
een boete op van 15% van het bedrag van de naheffingsaanslag met een minimum van NAf 1.000,-- en een maximum van NAf 10.000,--”.
4.6
Vaststaat dat belanghebbende het totale bedrag van de op aangifte(n) verschuldigde winstbelasting van NAf 48.691 niet tijdig heeft betaald. Belanghebbende heeft echter vóór het tijdstip waarop de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd alsnog een bedrag van NAf 43.191 (NAf 48.691 – NAf 5.500) betaald. Het bedrag van de naheffingsaanslag dient dan ook te worden bepaald op NAf 5.500. Dat op het aanslagbiljet wordt vermeld dat NAf 48.691 niet tijdig is betaald, maakt gelet op de duidelijke tekst van artikel 4.6, lid 1 aanhef en letter a van de Regeling niet dat over dit gehele bedrag een boete kan worden berekend (vgl. GEA Curaçao 28 oktober 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:228). Als de Minister bedoeld had om de boete te berekenen als percentage van de te laat betaalde belasting (overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur) dan had hij dat in de tekst tot uitdrukking moeten brengen. Nu hij dat niet gedaan heeft moet een burger erop kunnen vertrouwen dat de boete beperkt blijft tot het genoemde percentage van de naheffingsaanslag (of het genoemde minimumbedrag). Dat zou slechts anders kunnen zijn indien toepassing van de letterlijke tekst zou leiden tot een zodanig ongerijmd resultaat dat belanghebbende daar in redelijkheid niet op had mogen en kunnen rekenen. Van die situatie is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. [1]
4.7
Belanghebbende betwist niet dat sprake is van een derde of volgend verzuim. Het voorgaande betekent dat de verzuimboete dient te worden verminderd tot het minimum van NAf 1.000 [2] .
4.8
Het Gerecht volgt de Inspecteur niet in zijn subsidiaire stelling dat de verzuimboete zou zijn opgelegd op grond van artikel 26 ALL. Uit hetgeen op het aanslagbiljet is vermeld volgt dat aan belanghebbende een boete is opgelegd wegens het niet, niet tijdig of niet volledig betalen. Ook overigens is van een geval als beschreven in artikel 26 ALL (inkeerbepaling) naar het oordeel van het Gerecht geen sprake. Dat verder sprake is van zowel het niet (het bedrag van NAf 5.500) als het niet tijdig betalen (het bedrag van NAf 43.191) maakt niet – zoals door de Inspecteur meer subsidiair wordt aangevoerd – dat sprake is van twee beboetbare gedragingen en de boete derhalve niet NAf 1.000 maar NAf 2.000 zou moeten bedragen.
4.9
Een verzuimboete dient achterwege te blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (AVAS). Van AVAS is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat tijdig wordt betaald. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van AVAS.
4.1
Het Gerecht acht de verzuimboete van NAf 1.000 in het onderhavige geval passend en geboden.

5.PROCESKOSTEN

Kosten bezwaarfase

5.1
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende niet, zoals is vereist in artikel 32a, lid 2 ALL, verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
Kosten beroepsfase
5.2
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3
In artikel 15, lid 2 LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.4
Ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de voor vergoeding in aanmerking komende kosten berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting), waarde per punt NAf 700.
Griffierecht
5.5
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 150 aan belanghebbende te vergoeden.

6.DE BESLISSING

Het Gerecht
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de verzuimboete tot een bedrag van NAf 1.000;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van beroep van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400; en
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 150 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 16 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen
.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Voetnoten

1.Vgl. GEA Curaçao 21 november 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:168 en GHvJ van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 4 januari 2019, ECLI:NL:OGHACMB:2019:5.
2.15% van NAf 5.500 komt uit op NAf 825. De boete wordt derhalve verhoogd tot het minimum van NAf 1.000.