Belanghebbende heeft de winstbelasting over 2009 te laat betaald, waarbij een naheffingsaanslag van Naf. 2.700 werd opgelegd met een verzuimboete van Naf. 7.300. De Inspecteur stelde dat de boete terecht was omdat sprake was van een derde verzuim en het maximale boetebedrag van Naf. 10.000 van toepassing was, verminderd met een eerdere boete.
Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de boete beperkt moest worden tot 15% van de naheffingsaanslag, conform artikel 4.7 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. Het Gerecht oordeelde echter dat artikel 4.6 van de regeling van toepassing is, omdat de naheffingsaanslag voortvloeit uit te late betaling en niet uit te weinig aangegeven belasting.
Volgens artikel 4.6 bedraagt de boete 15% van de naheffingsaanslag met een minimum van Naf. 1.000. Omdat 15% van Naf. 2.700 lager is dan het minimum, geldt het minimumbedrag van Naf. 1.000. Het Gerecht verwierp het standpunt van de Inspecteur dat de boete berekend moest worden over het volledige bedrag van Naf. 148.562.
Verder oordeelde het Gerecht dat het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk was, omdat de Inspecteur ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. De Inspecteur had ook de hoorplicht geschonden door belanghebbende niet te horen in de bezwaarfase.
Ten slotte werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Naf. 1.400 en het griffierecht van Naf. 150 aan belanghebbende. Het beroep werd gegrond verklaard en de boete verminderd tot Naf. 1.000.