Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.FEITEN
3.GESCHIL
4.OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid beroep
5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
6.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Belanghebbende kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboetes opgelegd over de jaren 2013 tot en met 2017. Tegen deze aanslagen werd bezwaar gemaakt, maar de Inspecteur handhaafde de aanslagen en boetes bij uitspraken op bezwaar van 29 maart 2021.
Belanghebbende diende op 22 september 2021 beroep in tegen deze uitspraken, maar dit was buiten de wettelijke termijn van twee maanden na dagtekening van de uitspraken. Hoewel belanghebbende stelde de uitspraken pas op 29 juli 2021 te hebben ontvangen, werd op grond van de poststempel aangenomen dat de beroepstermijn op 7 juli 2021 was begonnen.
Het Gerecht oordeelde dat het beroep te laat was ingediend en derhalve niet-ontvankelijk verklaard moest worden. Een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de beroepsfase minder dan anderhalf jaar duurde en de overschrijding niet aan het Gerecht kon worden toegerekend.
De zaak werd behandeld op zitting op 23 mei 2022 te Willemstad, waarbij partijen hun standpunten toelichtten. Het Gerecht zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of griffierecht en wees het beroep af op formele gronden zonder inhoudelijke beoordeling van de aanslagen en boetes.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslagen omzetbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.