ECLI:NL:HR:2026:98

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/04670
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlof tot tenuitvoerlegging van buitenlands arbitraal vonnis en asymmetrisch rechtsmiddelenverbod

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen. De zaak betreft een geschil tussen de National Iranian Oil Company (NIOC) en Crescent Gas Corporation Limited en Crescent Petroleum Company International Limited, hierna gezamenlijk aangeduid als Crescent c.s. NIOC had in cassatie beroep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag, die de erkenning en tenuitvoerlegging van twee arbitrale vonnissen had toegewezen. De arbitrale vonnissen betroffen een geschil over de verkoop en levering van gas, waarbij het scheidsgerecht in Londen had geoordeeld dat NIOC aansprakelijk was voor schade aan Crescent c.s. en een aanzienlijk bedrag moest betalen.

De Hoge Raad heeft in zijn beoordeling het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod, zoals neergelegd in artikel 1075 (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel III van het Verdrag van New York, bevestigd. Dit verbod houdt in dat er geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een beschikking tot erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis, tenzij er sprake is van doorbrekingsgronden. NIOC had betoogd dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod van toepassing was, maar de Hoge Raad heeft dit standpunt verworpen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de argumenten van NIOC niet voldoende waren om van zijn eerdere rechtspraak terug te komen.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van NIOC verworpen en haar veroordeeld in de kosten van het geding. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod in het kader van de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse arbitrale vonnissen, wat van belang is voor de rechtszekerheid en de uitvoering van internationale arbitrale uitspraken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/04670
Datum23 januari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
NATIONAL IRANIAN OIL COMPANY,
gevestigd te Teheran, Iran,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: NIOC,
advocaten: A.H.M. van den Steenhoven en M.A.M. Wagemakers,
tegen
1. CRESCENT GAS CORPORATION LIMITED,
gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,
2. CRESCENT PETROLEUM COMPANY INTERNATIONAL LIMITED,
gevestigd te Hamilton, Bermuda,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: Crescent c.s.,
advocaat: T.T. van Zanten.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/10/640294 / KG RK 22-659 van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2022;
b. de beschikking in de zaak 200.323.344/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2024.
NIOC heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Crescent c.s. hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor NIOC toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van NIOC hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen hebben een geschil over de verkoop en levering van gas. Crescent c.s. hebben in verband daarmee op 15 juli 2009 een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij een scheidsgerecht in Londen, Verenigd Koninkrijk (hierna: het scheidsgerecht).
(ii) Bij arbitraal vonnis van 31 juli 2014 heeft het scheidsgerecht geoordeeld, kort gezegd, dat het bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en dat NIOC toerekenbaar tekort is geschoten en aansprakelijk is voor de door Crescent c.s. geleden schade. Bij arbitraal vonnis van 27 september 2021 heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat NIOC aan Crescent c.s. moet betalen een bedrag van US$ 2.429.970.000,--. Deze twee vonnissen worden hierna aangeduid als de arbitrale vonnissen.
2.2
Bij verzoekschrift van 23 juni 2022 hebben Crescent c.s. de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van de arbitrale vonnissen op de voet van art. 1075 (oud) Rv in verbinding met het Verdrag over de erkenning en de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken (hierna: Verdrag van New York) [1] , althans art. 1076 (oud) Rv.
2.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen. [2]
2.4
NIOC heeft hoger beroep ingesteld. Zij heeft betoogd dat zij ontvankelijk is in het hoger beroep, primair omdat het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod niet van toepassing is en subsidiair omdat sprake is van doorbrekingsgronden.
2.5
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. [3] Daartoe heeft het hof onder meer geoordeeld dat het asymmetrisch appelverbod van toepassing is, dat NIOC niettemin in haar hoger beroep kan worden ontvangen omdat zij doorbrekingsgronden heeft gesteld, maar dat deze doorbrekingsgronden niet opgaan.
Over het asymmetrisch appelverbod heeft het hof overwogen dat dit verbod ook geldt voor buitenlandse arbitrale vonnissen waarop het Verdrag van New York van toepassing is. Hoger beroep tegen een toegewezen verzoek staat daarom niet open, behalve als zich een doorbrekingsgrond voordoet, of als onverkorte toepassing van het asymmetrisch rechtsmiddelenverbod een schending van art. 6 EVRM oplevert. Het hof heeft daarbij verwezen naar HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1679 (Rosneft/Yukos Capital), nadien herhaald in HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:555. (rov. 6.4)
Er is geen grond om het asymmetrisch appelverbod niet toe te passen. Uit het arrest in de zaak Rosneft/Yukos Capital en de (hiervoor genoemde) daaropvolgende arresten waarin de Hoge Raad het asymmetrische appelverbod heeft herhaald, volgt dat het er niet toe doet welke weigeringsgrond voor het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging wordt ingeroepen. De kern is dat de exequaturprocedure voor buitenlandse arbitrale vonnissen bij toelating van hoger beroep en cassatieberoep tegen de exequaturverlening aanmerkelijk bezwaarlijker zou zijn dan de exequaturprocedure voor binnenlandse arbitrale vonnissen; dat levert strijd op met het in art. III van het Verdrag van New York neergelegde discriminatieverbod. (rov. 6.6)

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof in rov. 6.2-6.10 ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de art. 985-991 Rv en de in die bepalingen geregelde mogelijkheden van hoger beroep en beroep in cassatie. Volgens het onderdeel heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat art. 1075 (oud) Rv in verbinding met art. III Verdrag van New York in de weg staat aan hoger beroep en beroep in cassatie tegen verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis. De uitleg van die bepalingen in het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2010 is onjuist, althans aan herziening toe, aldus het onderdeel.
3.2
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om van het oordeel in zijn arrest van 25 juni 2010 terug te komen. [4] De rechtsopvatting die het onderdeel bepleit, is daarin niet aanvaard. De in het onderdeel aangevoerde argumenten leiden nu evenmin tot een ander oordeel. Het onderdeel is dan ook tevergeefs voorgesteld.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt NIOC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Crescent c.s. begroot op € 873,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien NIOC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
23 januari 2026.

Voetnoten

1.Verdrag over de erkenning en de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken, New York, 10 juni 1958, Trb
2.Rechtbank Rotterdam 5 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10660.
3.Gerechtshof Den Haag 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2552.
4.HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1679 (Rosneft/Yukos Capital); vgl. ook HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:555.