De zaak betreft verzoeken van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van zijn belastingzaken over de jaren 2005 tot en met 2007. Het Gerechtshof Amsterdam had geoordeeld dat de redelijke termijn met ruim een jaar en vijf maanden was overschreden en kende een schadevergoeding van €4500 toe.
De Hoge Raad stelt vast dat het eerste pro forma bezwaarschrift op 29 oktober 2008 is ingediend en dat belanghebbende op eigen verzoek negen maanden uitstel kreeg voor de motivering van het bezwaar. Hierdoor werd de bezwaarprocedure met ruim acht maanden vertraagd door een bijzondere omstandigheid die aan belanghebbende is toe te rekenen.
De Hoge Raad oordeelt dat standaarduitstel voor motivering van een pro forma bezwaar van vier weken geen bijzondere omstandigheid vormt die tot termijnverlenging leidt. Rekening houdend met de aan belanghebbende toe te rekenen bijzondere omstandigheden is er geen overschrijding van de redelijke termijn van 24 maanden voor bezwaar en beroep tezamen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het deel van het hof dat het bedrag van de immateriële schadevergoeding vaststelde en vermindert deze van €4500 naar €3000. De overige onderdelen van het vonnis blijven in stand. De Hoge Raad wijst geen proceskosten toe.