ECLI:NL:HR:2026:1300

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
25/03929
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BWArt. 2:15 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt proceskostenveroordeling in incidenteel hoger beroep KNVB tegen Vitesse

De zaak betreft het geschil tussen de KNVB en Vitesse over de intrekking van de proflicentie van Vitesse door de Licentiecommissie van de KNVB en de daaropvolgende afwijzing van het beroep door de Beroepscommissie. Vitesse vorderde schorsing van deze besluiten en toelating tot de competities betaald voetbal, wat door de voorzieningenrechter werd afgewezen, maar door het hof werd toegewezen. Het hof oordeelde dat de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie niet in redelijke verhouding stond tot de overtredingen en dat de procedures niet zorgvuldig waren verlopen.

De Hoge Raad bevestigt dat de rechter terughoudend moet zijn bij toetsing van besluiten van organen van een rechtspersoon, maar dat het hof terecht oordeelde dat de sanctie disproportioneel was en dat de besluitvorming niet voldeed aan het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor. De Hoge Raad vernietigt echter de proceskostenveroordeling van de KNVB in het incidentele hoger beroep, omdat dit beroep overbodig was en geen wijziging van het dictum beoogde.

De Hoge Raad veroordeelt de KNVB in de kosten van het cassatiegeding en bevestigt daarmee de voorlopige toelating van Vitesse tot de competities betaald voetbal, in afwachting van de bodemprocedure. De overige klachten van de KNVB worden verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de proceskostenveroordeling van de KNVB in het incidentele hoger beroep en bevestigt de schorsing van de intrekking van de proflicentie van Vitesse.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/03929
Datum17 juli 2026
ARREST
In de zaak van
KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,
gevestigd te Zeist,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de KNVB,
advocaten: J.W.H. van Wijk en J.B.B. Heinen,
tegen
B.V. VITESSE,
gevestigd te Arnhem,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Vitesse,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en W.A. Jacobs.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/16/597646 / KG ZA 25-401 van de rechtbank Midden-Nederland van 8 augustus 2025;
b. het arrest in de zaak 200.358.448 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 september 2025.
De KNVB heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Vitesse heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Vitesse mede door O.D. Kemerink.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De advocaten van de KNVB hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In dit kort geding gaat het in cassatie om de vraag of het hof het besluit van de Licentiecommissie van de KNVB tot intrekking van de proflicentie van Vitesse en het besluit van de Beroepscommissie tot ongegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep kon schorsen, en de KNVB kon veroordelen om Vitesse per direct toe te laten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Vitesse is lid van de KNVB en neemt op basis van een door de KNVB verstrekte licentie deel aan de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal (hierna: de proflicentie).
(ii) De Licentiecommissie is een orgaan van de KNVB. De Licentiecommissie ziet toe op de naleving van de licentie-eisen en -verplichtingen door de licentiehouders, op basis van het Licentiereglement Betaald Voetbal (hierna: het Licentiereglement).
(iii) De Beroepscommissie is een orgaan van de KNVB dat beslist over beroepen die zijn ingesteld tegen besluiten van de Licentiecommissie. De Beroepscommissie maakt deel uit van de rechtsprekende organen binnen de KNVB.
(iv) Op 10 juli 2025 heeft de Licentiecommissie besloten tot intrekking van de proflicentie van Vitesse. De Licentiecommissie heeft in haar besluit overwogen dat Vitesse over een periode van een aantal jaren in ernstige en structurele mate (de doelstellingen van) het licentiesysteem heeft overtreden en niet bereid was of in staat is gebleken om zich te voegen naar (de regels van) het licentiesysteem.
(v) Op 17 juli 2025 heeft Vitesse beroep ingesteld tegen het besluit van de Licentiecommissie.
(vi) Op 31 juli 2025 heeft de Beroepscommissie het beroep van Vitesse ongegrond verklaard en het besluit van de Licentiecommissie in stand gelaten. De Beroepscommissie heeft geoordeeld dat sprake is van een meerjarig patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem door Vitesse en een gebrek aan transparantie bij Vitesse. Dit patroon is naar het oordeel van de Beroepscommissie structureel, ernstig en persistent. Daarom is de Beroepscommissie van oordeel dat Vitesse haar proflicentie niet kan behouden.
2.3
In dit kort geding vordert Vitesse schorsing van de besluiten van de Licentiecommissie (zie hiervoor in 2.2 onder (iv)) en van de Beroepscommissie (zie hiervoor in 2.2 onder (vi)) en veroordeling van de KNVB om Vitesse toe te laten tot de competities betaald voetbal. De voorzieningenrechter [1] heeft de vorderingen afgewezen.
2.4
Het hof [2] heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd, het besluit tot intrekking van de proflicentie van Vitesse en het besluit van de Beroepscommissie tot verwerping van het beroep met onmiddellijke ingang geschorst, de KNVB veroordeeld om Vitesse met onmiddellijke ingang toe te laten tot de competities betaald voetbal, en te handelen alsof door de Licentiecommissie geen besluit tot intrekking van de proflicentie was genomen. Daartoe heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
In dit kort geding moet worden beoordeeld of aannemelijk is dat de rechter in de (inmiddels door Vitesse gestarte) bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten van de Licentiecommissie en Beroepscommissie op één of meer van de in art. 2:15 BW Pro genoemde gronden vernietigbaar zijn. Op grond van die bepaling kan de rechter een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigen wegens strijd met regels die het tot stand komen van besluiten regelen, wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid of wegens strijd met een reglement. Bij de toetsing aan de redelijkheid en billijkheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van de KNVB, gaat het erom of het orgaan, naar de toestand ten tijde van het besluit, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Daarbij past terughoudendheid van de rechter. De rechter gaat dus niet op de stoel zitten van het orgaan van de rechtspersoon. Voor de vraag of de gevraagde voorzieningen worden toegewezen, moeten verder de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen naar de toestand op dit moment. (rov. 2.4 en 4.6-4.8)
Is aannemelijk dat de besluiten naar hun inhoud vernietigbaar zijn?
De Licentiecommissie en de Beroepscommissie leggen aan hun besluiten ten grondslag dat bij Vitesse sprake is van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem, dat Vitesse tijdens de (beroeps)procedure heeft voortgezet. (rov. 4.10)
Het hof kan het oordeel van de Licentiecommissie en Beroepscommissie volgen dat Vitesse haar informatieverplichting op een aantal materiële punten niet heeft nageleefd, zoals bij de gang van zaken rond de verkoop en conversie van een schuld uit geldlening van Vitesse in de periode december 2024-april 2025. (rov. 4.10 en 4.45-4.55)
Een deel van de door de Licentiecommissie en Beroepscommissie aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen beoordeelt het hof echter wezenlijk anders. Dat betreft onder meer het verwijt aan Vitesse rond het bestaan en het verzwijgen van een
sidelettertussen een financier en een beoogde nieuwe aandeelhouder van Vitesse die deze partijen wilden achterhouden voor zowel Vitesse als de KNVB.
Vitesse heeft, anders dan de Licentiecommissie heeft overwogen in het intrekkingsbesluit van 10 juli 2025, tegenover de Licentiecommissie (en de Beroepscommissie) wel degelijk de bereidheid getoond om nog binnen de kaders van het licentiesysteem te willen functioneren en haar problematische verleden definitief van zich af te schudden.
Naar het voorlopige oordeel van het hof is ook onterecht het verwijt van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 dat Vitesse de Licentiecommissie niet onverwijld, maar pas op 9 juli 2025 heeft geïnformeerd over een email van een financier met betrekking tot de koop en beoogde overdracht van de aandelen in Vitesse aan Sterkhouders B.V. Verder geeft de opsomming van overtredingen van Vitesse door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie naar het voorlopige oordeel van het hof onvoldoende grond voor het oordeel dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen en dat sprake is van een patroon van schending van haar informatieplicht dat zich na augustus 2024 heeft voortgezet. Voortzetting van dat patroon na 3 augustus 2024 is niet gebleken, althans sterk te nuanceren, mede gezien de actuele ontwikkelingen (het instappen van de Sterkhouders en het Herinrichtingsplan 2025), die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie buiten beschouwing hebben gelaten. Het hof heeft begrip voor het standpunt van de KNVB dat de door Vitesse begane overtredingen van het licentiesysteem consequenties moesten hebben, maar daartegenover staan het feit dat een groot deel van de overtredingen al eerder is gesanctioneerd (met steeds ernstigere gevolgen voor Vitesse), de te relativeren ernst en het aantal recente overtredingen en de recente positieve ontwikkelingen, die volgens het Licentiereglement bij het sanctiebesluit meegewogen moeten worden. Onder die omstandigheden was een onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie niet de enige sanctie die resteerde, en had intrekking van de proflicentie voorwaardelijk opgelegd kunnen worden. (rov. 4.10, 4.38-4.39, 4.64-4.76 en 4.78-4.79)
Daar komt bij dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie enerzijds de procedures over intrekking van de proflicentie van Vitesse met grote spoed en onder hoge druk hebben gevoerd en anderzijds de actuele ontwikkelingen rond Vitesse (met name de beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025) in die besluitvorming buiten beschouwing hebben gelaten, hoewel Vitesse de Licentiecommissie en de Beroepscommissie daarvan op de hoogte heeft gehouden en hen daarbij heeft willen betrekken. Die actuele ontwikkelingen hadden wel betrokken moeten worden in de besluitvorming door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, vooral omdat hun besluitvorming betrekking had op – en heeft geresulteerd in – de meest verstrekkende sanctie die op grond van het Licentiereglement kan worden opgelegd, te weten de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie. Onder die omstandigheden had het voor de hand gelegen dat de voortgang in – en de urgentie van – de intrekkingsprocedure en de procedure over zeggenschapswijziging op elkaar zouden worden afgestemd. (rov. 4.67-4.68)
Bij deze stand van zaken is het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid niet tot de belangenafweging hadden kunnen komen die ertoe leidt dat de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie gerechtvaardigd is. (rov. 4.80)
Is aannemelijk dat de besluiten naar hun wijze van totstandkoming vernietigbaar zijn?
Het is voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat de besluiten vernietigbaar zijn wegens strijd met de regels over de totstandkoming van besluiten en het Licentiereglement en/of naar totstandkoming wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. (rov. 4.81)
Het voorgenomen besluit van de Licentiecommissie tot intrekking van de proflicentie van 23 mei 2025 was in belangrijke mate erop gestoeld dat Vitesse tot dat moment geen volledige inzage had gegeven in een overnameconstructie door te weigeren om de Loan Sale Agreement in ongelakte vorm over te leggen, terwijl de vraag of Vitesse op grond van het Licentiereglement verplicht was om deze overeenkomst over te leggen nog onderwerp was van twee procedures bij de Beroepscommissie. De Licentiecommissie had daarom op grond van art. 13 lid 5 van Pro het Licentiereglement de uitkomst van die beroepen moeten afwachten. Weliswaar heeft de Licentiecommissie het definitieve besluit tot intrekking van de proflicentie pas genomen op 10 juli 2025, nadat de Beroepscommissie op 7 juli 2025 had beslist op de twee genoemde beroepen, maar het voorgenomen intrekkingsbesluit was al ruimschoots daarvoor genomen (23 mei 2025) en de hoorzitting daarover had ook al ruimschoots daarvoor (10 juni 2025) plaatsgehad. Door het gestapelde karakter van de besluiten heeft Vitesse niet de kans gehad om naar aanleiding van de mondelinge behandeling dan wel het oordeel van de Beroepscommissie over de eerdere sanctiebesluiten haar standpunt te herzien en alles in het werk te stellen om alsnog te voldoen aan het verzoek van de Licentiecommissie tot overlegging van de overeenkomst, terwijl aannemelijk is dat Vitesse dit wel zou hebben gedaan als zij die kans had gehad, en dit van invloed had kunnen zijn op de afweging die de Licentiecommissie over een mogelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse moest maken. (rov. 4.89-4.92)
Verder heeft de Beroepscommissie een afwijkende procedure gevolgd. Het hof heeft begrip voor het belang van de KNVB dat zo mogelijk vóór de start van de competities definitief duidelijkheid erover zou bestaan of Vitesse haar proflicentie wel of niet zou behouden, maar niet gebleken is dat sprake was van een dwingende reden waarom geen sprake kon zijn van een procedure met gebruikelijke behandeltermijnen. Dat het voor de continuïteit en geloofwaardigheid van de competities wenselijk is dat er zo min mogelijk onzekerheid bestaat over de deelname van een club aan het nieuwe seizoen, kan niet afdoen aan het belang van de club dat bij een procedure over de intrekking van haar proflicentie de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij moet worden bedacht dat het gaat om een gewone beroepsprocedure op basis van het reglement over de meest verstrekkende sanctie die aan een betaald voetbalorganisatie kan worden opgelegd, en niet om een spoedprocedure gericht op een ordemaatregel of voorlopige voorziening. In dit geval kon Vitesse niet tijdig beschikken over de inbreng van de Licentiecommissie en heeft zij onvoldoende mogelijkheid gekregen om daar adequaat op te reageren. Indien er al voldoende redenen zijn om bij de behandeling van het beroep tegen een besluit tot oplegging van de meest verstrekkende sanctie af te wijken van de gebruikelijke procedure, dan moet het beginsel van hoor en wederhoor voldoende worden gewaarborgd. In het kader van dat fundamentele rechtsbeginsel had de Beroepscommissie moeten voorzien in voldoende mogelijkheden voor de partijen om nog een nadere reactie te geven, ook als dat betekent dat dit ná de mondelinge behandeling bij de Beroepscommissie zou zijn. Omdat Vitesse pas op de ochtend van de hoorzitting kon beschikken over het verweer en de stukken van de Licentiecommissie, had haar die gelegenheid moeten worden geboden, zeker nu de Beroepscommissie op grond van art. 13 lid 7 en Pro lid 11 van het Licentiereglement moet beslissen naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep (“ex nunc”). De Beroepscommissie is echter vanwege een aangenomen hoge spoed die niet dwingend blijkt te zijn, afgeweken van de gebruikelijke procedure zonder dit te omkleden met voldoende waarborgen dat Vitesse in elk geval in de gelegenheid zou worden gesteld om zich tot het laatste moment volledig en afdoende tegen de besluiten te verweren. Hierdoor konden de laatste relevante feiten en omstandigheden over de stand van zaken onvoldoende in aanmerking worden genomen, wat de zorgvuldigheid van de besluitvorming heeft aangetast. (rov. 4.99-4.106)
Gelet op wat hiervoor is overwogen is het hof voorshands van oordeel dat de Beroepscommissie op de genoemde punten niet heeft voldaan aan het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor. Het hof acht aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure het besluit van de Beroepscommissie vernietigbaar zal oordelen op grond van art. 2:15 lid Pro 1, aanhef en onder a/c, BW, dan wel naar de wijze van totstandkoming in strijd zal achten met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 2:15 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW. (rov. 4.107)
Belangenafweging
Voor de vraag of de gevraagde voorzieningen worden toegewezen, moeten ten slotte de belangen van partijen worden afgewogen naar de toestand op dit moment. (rov. 4.108)
De intrekking van de proflicentie leidt ertoe dat Vitesse niet meer is toegelaten tot de door de KNVB georganiseerde competities betaald voetbal. De gevolgen daarvan zijn groot voor Vitesse; naar alle waarschijnlijkheid zal het voortduren van deze situatie leiden tot haar faillissement. Niet alleen voor de club zelf, maar ook voor de werknemers, supporters, sponsoren en financiers heeft dat grote gevolgen. Aan samenwerkingsverbanden en maatschappelijke initiatieven van Vitesse komt in dat geval ook een einde. Het belang van Vitesse bij de gevraagde voorzieningen om te kunnen blijven deelnemen aan het betaald voetbal (in elk geval in afwachting van de bodemprocedure) is dan ook evident en zwaarwegend. (rov. 4.109)
In eerste aanleg was de inzet van Vitesse om vanaf het begin te kunnen deelnemen aan de competitie. Inmiddels zijn er vier speelronden geweest waarbij Vitesse buitenspel heeft gestaan. De situatie is daardoor nog nijpender geworden, omdat Vitesse intussen een aantal contractspelers zonder transfervergoeding heeft moeten laten vertrekken en ook bij jeugdspelers en hun ouders een gebrek aan vertrouwen in de toekomst van Vitesse is ontstaan. Vitesse heeft daarnaast erop gewezen dat de directeur van het Gelredome inmiddels heeft laten weten andere evenementen te gaan inplannen op de voor Vitesse gereserveerde wedstrijddagen. Nu het nog kan, wil Vitesse zo snel mogelijk alsnog worden toegelaten tot de competities, om haar toekomst te redden. Vitesse is voor haar voortbestaan (mede) afhankelijk van de beoogde overname door Sterkhouders B.V. Op vragen van het hof over die overname heeft de vertegenwoordiger van Sterkhouders B.V. verklaard dat aan de overname de voorwaarde is verbonden dat Vitesse mag blijven deelnemen aan de competitie. Die voorwaarde treedt in vervulling bij toewijzing van de door Vitesse gevraagde voorzieningen. Gelet op deze stand van zaken heeft Vitesse nog steeds een groot belang bij toewijzing van deze voorzieningen. (rov. 4.110-4.111)
Daartegenover staat het belang van de KNVB. Zij is (via de Licentiecommissie) verantwoordelijk voor het waarborgen van de integriteit en continuïteit van de competities betaald voetbal, om zo veel als mogelijk het (ongestoorde) verloop van de competities te kunnen garanderen (art. 2 lid 1 sub a van Pro het Licentiereglement). Dat is zonder meer een te respecteren belang. De KNVB heeft ook erop gewezen dat, indien Vitesse alsnog moet worden toegelaten tot de al gestarte competities, dit zou betekenen dat zij alsnog moet worden ingepast in het speelschema en ten minste vier wedstrijden moet inhalen. Dat levert organisatorische problemen op, niet alleen voor de KNVB, maar ook voor verschillende stakeholders (zoals gemeenten, politie, verenigingen, zendgemachtigden, NS en ProRail). De KNVB heeft desgevraagd op de mondelinge behandeling verklaard dat deze organisatie moeilijk, maar niet onmogelijk is. De KNVB heeft verder aangevoerd dat haar belang ook is gelegen in behoud van de geloofwaardigheid van het licentiesysteem. Dat belang onderschrijft het hof. Het hof onderkent daarbij dat Vitesse in het verleden verkeerde keuzes heeft gemaakt en meer dan eens in strijd met het Licentiereglement heeft gehandeld. Daarnaast ziet het hof ook dat de Licentiecommissie in het verleden veel geduld heeft gehad met Vitesse en zich meer dan eens coulant heeft opgesteld door op constructieve wijze met haar in gesprek te gaan en mee te denken over te nemen maatregelen, gericht op een toekomst van Vitesse binnen het betaald voetbal. Maar duidelijk is ook dat Vitesse voor haar fouten in het recente en verdere verleden bij herhaling met boetes en forse vermindering van wedstrijdpunten is gestraft. Door die sancties is zij ernstig geraakt. Dat geldt ongetwijfeld ook voor de eerdere intrekking van de proflicentie in 2024 die vanwege positieve ontwikkelingen in beroep ongedaan is gemaakt. Voor de vrees dat het licentiesysteem een tandeloze tijger zou worden als aan de gemaakte fouten nu niet de ultieme sanctie van een onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie zou worden verbonden, ziet het hof geen goede grond. (rov. 4.112-4.113)
Naar het oordeel van het hof wegen de belangen van Vitesse bij toewijzing van de gevraagde voorzieningen (schorsing van de besluiten en alsnog toelating tot de competities betaald voetbal) bij deze stand van zaken zwaarder dan de belangen van de KNVB. Gelet daarop zal het hof deze voorzieningen dan ook alsnog toewijzen. (rov. 4.114)

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat aan organen van een vereniging zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie (een ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte toekomt bij het nemen van besluiten als hier aan de orde. Die (ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte brengt onder meer mee dat die besluiten niet met een beroep op de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen worden aangetast op de enkele grond dat over de juistheid van die besluiten verschillend kan worden gedacht of alternatieven voorhanden waren, dan wel een ander besluit beter was geweest of meer voor de hand had gelegen, aldus de klacht. Voorts betoogt het onderdeel onder meer dat het hof bij zijn voorlopige beoordeling van de vernietigbaarheid van het besluit van de Beroepscommissie een grotere mate van terughoudendheid in acht moest nemen dan in het algemeen, op de grond dat de Beroepscommissie bestaat uit onafhankelijke leden en beslist op beroepen tegen besluiten van andere organen van de KNVB, en aldus een rechtsprekende taak heeft. Die terughoudendheid geldt zeker, en/of in (nog) grotere mate, indien de rechter in kort geding (slechts) een voorlopig oordeel geeft over (schorsing van) de betrokken besluiten, aldus het onderdeel.
3.1.2
Art. 2:15 lid 1 BW Pro luidt als volgt:
Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar:
a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen;
b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden Pro geëist;
c. wegens strijd met een reglement.
Art. 2:8 lid 1 BW Pro luidt:
Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.
3.1.3
Uitgangspunt bij de toepassing van art. 2:15 lid 1 BW Pro is dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. [3] Verder geldt dat de mate van beleids- en beoordelingsruimte die toekomt aan een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit, en daarmee de mate van indringendheid waarmee de rechter de vernietigbaarheid van besluiten van een dergelijk orgaan op de voet van art. 2:15 lid 1 BW Pro beoordeelt, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Voor zover het onderdeel uitgaat van de opvatting dat aan organen van rechtspersonen steeds een grote beleids- en beoordelingsruimte toekomt bij hun besluitvorming, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht. Datzelfde geldt voor zover het onderdeel uitgaat van de opvatting dat de rechter zich in het algemeen bij de beoordeling van de vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan met een rechtsprekende taak binnen de rechtspersoon terughoudender moet opstellen dan bij de beoordeling van een besluit van een andersoortig (niet-rechtsprekend) orgaan. Verder geldt dat de rechter die in kort geding oordeelt, zich moet richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure, [4] maar dit betekent niet dat hij om die reden extra terughoudend moet zijn, zodat het onderdeel ook in zoverre faalt.
3.1.4
De hiervoor in 3.1.1 vermelde klacht faalt ook voor het overige, voor zover deze is gericht tegen het oordeel van het hof dat aannemelijk is dat de bodemrechter de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie naar hun inhoud zal vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (de b-grond van art. 2:15 lid 1 BW Pro, zie hiervoor in 3.1.2). Het hof heeft de hiervoor in 3.1.3 bedoelde terughoudendheid niet miskend. Het oordeel van het hof berust in de kern erop dat de opgelegde sanctie van onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie, gelet op de verstrekkende gevolgen daarvan voor Vitesse en gelet op de bij Vitesse betrokken belangen, niet in redelijke verhouding staat tot de in die besluiten genoemde verwijten en overtredingen, en de belangen van de KNVB bij het sanctioneren daarvan. Het oordeel van het hof berust daarmee niet “op de enkele grond dat over de juistheid van de besluiten verschillend kan worden gedacht of alternatieven voorhanden waren, dan wel een ander besluit beter was geweest of meer voor de hand had gelegen”, en geeft geen blijk van onvoldoende terughoudendheid of van miskenning van de aan de organen van de KNVB toekomende beleids- en beoordelingsruimte. Daaraan doet niet af dat het hof, ter beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde sanctie, de afzonderlijke verwijten en overtredingen heeft nagelopen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag hebben gelegd, en op diverse punten relativeringen heeft aangebracht wat betreft de ernst en het gewicht van die verwijten en overtredingen. Voor het overige kan de mate van indringendheid waarmee het hof de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie heeft getoetst, in cassatie niet op juistheid worden beoordeeld, nu het desbetreffende oordeel verweven is met waarderingen van feitelijke aard in verband met de omstandigheden van het geval.
3.1.5
Voor zover de overige klachten van onderdeel 1 en de klachten van de overige onderdelen voortbouwen op de hiervoor in 3.1.3 en 3.1.4 verworpen klachten, falen zij.
3.2.1
Onderdeel 2 komt met onder meer motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof dat aannemelijk is dat de bodemrechter de besluiten naar hun inhoud zal vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Deze klachten falen, omdat dat oordeel niet onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het een oordeel in kort geding betreft. In het bijzonder is niet onbegrijpelijk, anders dan onderdeel 2.1.1 aanvoert, dat het hof in het voordeel van Vitesse heeft meegewogen dat Vitesse in het verleden reeds is bestraft voor verschillende overtredingen die zijn genoemd in de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, met boetes en forse vermindering van wedstrijdpunten, door welke sancties Vitesse ernstig is geraakt, nu daar tegenover staat dat het hof ten nadele van Vitesse heeft meegewogen dat in het verleden sprake is geweest van overtredingen door Vitesse (rov. 4.14-4.15). Voorts is niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie actuele ontwikkelingen buiten beschouwing hebben gelaten (rov. 4.67-4.68), omdat het hof daarmee klaarblijkelijk slechts bedoelt dat zij aan die actuele ontwikkelingen verhoudingsgewijs weinig gewicht hebben toegekend.
3.2.2
Onderdeel 2.7.5 klaagt onder meer dat het hof met zijn overweging dat bij de beslissing van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie over de toe te passen sanctie aan de ene kant het karakter en de ernst van de overtreding(en) spelen en aan de andere kant het mogelijk ingrijpende karakter van de al dan niet onomkeerbaarheid van de sanctie, met afweging van de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen (rov. 4.78), miskent dat “de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” niet vallen onder de belangen van de in art. 2:8 BW Pro bedoelde personen, in dit geval de KNVB en de leden van de KNVB (onder andere de betaaldvoetbal-organisaties), en dus niet behoren tot de belangen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op grond van art. 2:8 BW Pro bij het nemen van hun besluiten in aanmerking moesten nemen en moesten afwegen.
3.2.3
Deze klacht is ongegrond. Het hof heeft met het noemen van “de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het belang van Vitesse, waarmee de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op de voet van art. 2:8 BW Pro rekening dienden te houden, mede wordt ingekleurd door de economische en maatschappelijke functie die Vitesse vervult. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.3
Het oordeel van het hof dat aannemelijk is dat de bodemrechter de besluiten zal vernietigen omdat zij naar hun inhoud strijdig zijn met de redelijkheid en billijkheid, kan de beslissing van het hof zelfstandig dragen. De KNVB heeft daarom geen belang bij onderdeel 3, dat is gericht tegen het oordeel dat aannemelijk is dat de bodemrechter de besluiten ook in verband met de wijze van totstandkoming ervan zal vernietigen.
3.4.1
Onderdeel 4.2 klaagt dat het hof de KNVB ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten van het incidentele hoger beroep. Het onderdeel betoogt dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, aangezien de omstandigheid dat de KNVB, die in eerste aanleg volledig in het gelijk was gesteld in die zin dat alle vorderingen van Vitesse waren afgewezen, in de vorm van een incidenteel hoger beroep verweer heeft gevoerd op een bepaald punt zonder een wijziging van het dictum te vorderen – zodat in zoverre sprake was van een onnodig incidenteel hoger beroep – niet ertoe mag leiden dat verwerping van het incidentele hoger beroep wegens gebrek aan belang haar op een kostenveroordeling komt te staan.
3.4.2
Deze klacht is gegrond. Uit de gedingstukken in hoger beroep blijkt dat de KNVB in het incidentele hoger beroep uitsluitend heeft betoogd dat, anders dan de voorzieningenrechter had geoordeeld, ook rekening moest worden gehouden met omstandigheden van vóór 3 augustus 2024. De KNVB, die in eerste aanleg door de voorzieningenrechter in het gelijk was gesteld, beoogde daarmee niet een andere beslissing over de vorderingen van Vitesse te verkrijgen dan de voorzieningenrechter in eerste aanleg had gegeven, zodat het instellen van incidenteel hoger beroep overbodig was. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Hoge Raad mag die omstandigheid niet ertoe leiden dat de verwerping van het incidentele hoger beroep de KNVB op een kostenveroordeling komt te staan. [5]
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
3.6
Hiervoor in 3.4.2 is gebleken dat onderdeel 4.2 van het principale middel doel treft. Het incidentele cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer klachten van het middel in het principale cassatieberoep slagen. In strikte zin is aan die voorwaarde voldaan. De Hoge Raad begrijpt het incidentele cassatieberoep echter zo dat de voorwaarde waaronder het is ingesteld, niet is vervuld. De toewijzing van de vorderingen van Vitesse, waarmee de klachten in het incidentele cassatieberoep verband houden, blijft immers in stand door de verwerping van de daartegen in het principale cassatieberoep gerichte klachten.

4.Afdoening

4.1
Zoals hiervoor in 3.4.2 respectievelijk 3.6 is overwogen, slaagt in het principale cassatieberoep uitsluitend een klacht over de proceskosten in het incidentele hoger beroep (onderdeel 4.2) en wordt aan het incidentele cassatieberoep niet toegekomen.
4.2
De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen door de proceskostenveroordeling in het incidentele hoger beroep te vernietigen en geen nieuwe veroordeling in dat beroep uit te spreken.
4.3
Vitesse heeft in haar verweerschrift in cassatie – zonder toelichting – verzocht het cassatieberoep van de KNVB te verwerpen, maar heeft zich in haar schriftelijke toelichting alsnog gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad ten aanzien van onderdeel 4 van het principale cassatieberoep. De KNVB heeft van deze handelwijze van Vitesse geen processueel nadeel ondervonden, nu de KNVB onderdeel 4 niet schriftelijk heeft toegelicht. De Hoge Raad ziet hierin aanleiding om voor de proceskostenveroordeling in cassatie geen gevolgen te verbinden aan het slagen van onderdeel 4.2 in het principale cassatieberoep.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 september 2025, maar uitsluitend voor zover in het dictum onder 5.4 de KNVB is veroordeeld in de kosten van het incidentele hoger beroep;
- veroordeelt de KNVB in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Vitesse begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de KNVB deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op
17 juli 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4265.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5708 (schriftelijke uitwerking 17 september 2025).
3.HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, rov. 3.4.3.
4.HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, rov. 3.7.1.
5.Zie onder meer HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:801, rov. 4.2.2; HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2261, rov. 4.2.2.