ECLI:NL:HR:2026:1148

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
25/01510
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:84 lid 1 BWArt. 3:84 lid 2 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onvoldoende bepaaldheid cessie vorderingen in faillissement Triskalion

In deze zaak staat centraal of de vorderingen van eiseres, overgenomen via een akte van cessie van de curator in het faillissement van haar echtgenoot, voldoende bepaald zijn om als rechthebbende erkend te worden in het faillissement van Triskalion.

Eiseres had twee vorderingen ingediend: een planschadevordering en een pensioenvordering. De curator had deze vorderingen niet erkend en verweerde zich met het argument dat de cessieakte niet voldeed aan het bepaaldheidsvereiste van artikel 3:84 lid 2 BW Pro. Het hof bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de cessieakte onvoldoende objectieve gegevens bevatte om vast te stellen dat de curator bekend was met deze vorderingen.

De Hoge Raad overweegt dat het bepaaldheidsvereiste niet strikt moet worden uitgelegd, maar dat de akte zodanige gegevens moet bevatten dat achteraf objectief kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. In dit geval voldeed de omschrijving in de cessieakte niet aan deze eis. Eiseres had onvoldoende objectieve gegevens aangevoerd om de bekendheid van de curator met de vorderingen aan te tonen. Daarom is de cessie niet geldig voor deze vorderingen en is eiseres geen rechthebbende in het faillissement van Triskalion.

Het cassatieberoep wordt verworpen en eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de cessieakte onvoldoende bepaaldheid bevat om de vorderingen over te dragen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01510
Datum3 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres] ,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
CUMBERLAND INVESTMENTS DESIGNATED ACTIVITY COMPANY,
gevestigd te Dublin, Ierland,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Cumberland,
advocaat: A.G. Colenbrander.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/02/391190 / HA ZA 21-626 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 maart 2022 en 23 november 2022;
b. het arrest in de zaak 200.323.708/01 van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 21 januari 2025.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Cumberland heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor Cumberland toegelicht door haar advocaat en mede door T.A. van Polanen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Beide partijen hebben in het faillissement van Triskalion B.V. vorderingen ter verificatie ingediend. Zij betwisten over en weer elkaars vorderingen. Deze renvooiprocedure gaat over de vorderingen van [eiseres] . Ook over de vorderingen van Cumberland is een renvooiprocedure aanhangig. Daarin doet de Hoge Raad vandaag eveneens uitspraak (zaak 25/01509). [1]
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Triskalion B.V. (hierna: Triskalion) is bij vonnis van 5 januari 2021 in staat van faillissement verklaard.
(ii) Triskalion was al eerder failliet verklaard. Dat faillissement is bij gebrek aan baten opgeheven. In verband met een nagekomen bate is de vereffening heropend, waarna opnieuw het faillissement van Triskalion is aangevraagd.
(iii) De bestuurder van Triskalion is [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), de echtgenoot van [eiseres] .
(iv) [betrokkene 1] is op 17 september 2015 failliet verklaard.
(v) De curator in het faillissement van [betrokkene 1] heeft met [eiseres] op 7 augustus 2017 een “vaststellingsovereenkomst tevens akte van overdracht/cessie” (hierna: de akte van cessie) gesloten. In de akte van cessie staat onder andere:

Boedel draagt alle resterende,door de curatorgepretendeerde activa/vorderingen van [betrokkene 1] (de boedel) over aan [eiseres]
12. De curator draagt in eigendom over alle nog resterende activa en vorderingen van curandus voor zover deze hem bekend zijn en redelijkerwijs bekend kunnen zijn, waaronder in ieder geval de vordering die de Curator meent te hebben op Robi House II B.V., terzake door [betrokkene 1] verrichte werkzaamheden ten behoeve van Robi House II B.V., zowel voor als na faillissement (dit ex art. 479a Rv).
(....)
13. De Curator draagt de vorderingsrechten, voor zover zij zouden bestaan, middels deze akte ex art. 3:94 BW Pro over aan [eiseres] , en deze overeenkomst belichaamt ten aanzien daarvan dan ook een akte houdende cessie. Beide partijen zijn gerechtigd mededeling van deze overdracht te doen aan Robi House II B.V.”
(vi) [eiseres] heeft in het faillissement van Triskalion vier vorderingen ter verificatie ingediend. Tijdens de verificatievergadering van 15 oktober 2021 heeft zij twee vorderingen gehandhaafd, te weten een vordering ter hoogte van € 2.450.000,-- in verband met planschade (hierna: de planschadevordering) en een vordering ter hoogte van € 725.922,-- betreffende pensioengelden (hierna: de pensioenvordering). Volgens [eiseres] heeft de curator in het faillissement van [betrokkene 1] deze vorderingen door middel van de akte van cessie aan haar overgedragen.
(vii) Cumberland, een voorlopig erkende schuldeiser in het faillissement van Triskalion, heeft de vorderingen van [eiseres] betwist. De rechter-commissaris heeft partijen in verband met die betwisting verwezen naar de onderhavige renvooiprocedure.
2.3
In deze renvooiprocedure vordert [eiseres] dat de rechtbank Cumberland niet-ontvankelijk verklaart, althans de betwisting door Cumberland ongegrond verklaart en de vorderingen van [eiseres] volledig erkent zodat zij worden toegevoegd aan de lijst van voorlopig erkende vorderingen.
2.4
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. [2]
2.5
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [3] Het heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen.
“3.6.2. De eerste vraag die het hof moet beantwoorden, is of [eiseres] rechthebbende is geworden van de vorderingen.
Het hof stelt hierbij voorop dat uit artikel 3:84 lid 2 BW Pro voortvloeit dat de akte van cessie ten tijde van de cessie de te cederen vorderingen in voldoende mate moet bepalen. (…)
3.6.3.
Naar het oordeel van het hof zijn de te cederen vorderingen in de akte van cessie niet voldoende bepaald. Hiervoor is het volgende redengevend.
Van een generieke omschrijving in die zin dat “alle” vorderingen van [betrokkene 1] worden overgedragen is geen sprake. De cessie is immers beperkt tot de vorderingen waarmee de curator ten tijde van het aangaan van de akte van cessie bekend is of redelijkerwijs had kunnen zijn.
De akte zelf vermeldt slechts de vordering op Robi House II B.V. Andere vorderingen waarmee de curator bekend is of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, zijn in de akte niet vermeld. Om vast te stellen welke andere vorderingen zijn overgedragen, is derhalve aanvullende informatie nodig.
De akte bevat ten slotte geen verwijzing naar objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de planschadevordering en de pensioenvordering door de curator aan [eiseres] zijn overgedragen. Hierbij is van belang dat het gaat om hetgeen de curator wist of redelijkerwijs kon weten, hetgeen minst genomen een subjectief element bevat.
3.6.4.
Hierbij komt dat uit hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, naar het oordeel van het hof niet volgt dat er sprake is van objectieve gegevens waaruit blijkt dat de curator bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn met de planschadevordering en de pensioenvordering.
[eiseres] heeft in dit verband uitsluitend verwezen naar de jaarrekening van Triskalion waarin de pensioenvoorziening van [betrokkene 1] was opgenomen, een e-mailbericht van de curator in het faillissement van Triskalion aan [betrokkene 1] met kopie aan de curator in het faillissement van [betrokkene 1] waarin wordt gerefereerd aan “de pensioenvoorziening” en het faillissementsverslag van 22 mei 2017 in het faillissement van [betrokkene 1] waarin onder het kopje lopende procedures wordt verwezen naar een bezwaarschriftprocedure over een verzoek van [betrokkene 1] aan de gemeente Breda om planschadevergoeding.
Cumberland heeft gemotiveerd betwist dat uit de door [eiseres] genoemde documenten wetenschap van de curator volgt. Zij heeft onder andere aangevoerd dat de planschadevordering en de pensioenvordering niet zijn opgenomen bij de vorderingen die staan vermeld onder het kopje activa in het faillissementsverslag. Dit is volgens Cumberland een belangrijke aanwijzing dat de curator juist niet uitging van het bestaan van de vorderingen.
Hierbij komt nog het volgende. De planschadevordering betreft volgens de eigen stellingen van [eiseres] de vordering van [betrokkene 1] op Triskalion terzake de koopprijs die Triskalion aan [betrokkene 1] moet betalen omdat [betrokkene 1] zijn vordering op de gemeente Breda in verband met planschade aan Triskalion heeft overgedragen. Dat in het faillissementsverslag in het faillissement van [betrokkene 1] de procedure van [betrokkene 1] tegen de gemeente Breda is genoemd, zegt hooguit iets over de eventuele bekendheid van de curator met een vordering van [betrokkene 1] op de gemeente Breda. Dat de curator bekend was met de door [eiseres] gestelde vordering op Triskalion volgt hier naar het oordeel van het hof in ieder geval niet uit.
Uit dit alles volgt dat gegevens waar [eiseres] naar verwijst niet eenduidig zijn, en geen uitsluitsel geven over de vraag of de curator bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [eiseres] over te dragen.
3.6.5.
[eiseres] heeft aangeboden haar stelling dat er wel objectieve gegevens zijn aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, te bewijzen. Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.6.4. is overwogen, volgt echter dat [eiseres] haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Dit betekent dat het hof aan bewijslevering niet toekomt.
3.6.6.
Uit hetgeen hiervoor in rov. 3.6.3-3.6.5. is overwogen volgt dat naar het oordeel van het hof niet is voldaan aan het vereiste dat de akte van cessie zodanige gegevens moet bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Dat door het horen van getuigen kan worden vastgesteld of de curator ten tijde van de cessie bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering, maakt dit niet anders. Dit betekent immers niet dat sprake is van objectieve gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de curator bekend was met de planschadevordering en de pensioenvordering dan wel dat hij hiermee redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.
3.6.7.
Omdat niet aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, zijn de planschadevordering en de pensioenvordering niet aan [eiseres] overgedragen. [eiseres] is geen rechthebbende van deze vorderingen en kan om die reden dus ook niet als schuldeiser in het faillissement van Triskalion worden erkend. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan de vraag of de pensioenvordering overdraagbaar is en ook niet aan de vraag naar bestaan en omvang van de planschadevordering en de pensioenvordering.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het hof in rov. 3.6.6 blijk geeft van een te strenge, althans onjuiste maatstaf voor de eis van bepaaldheid, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Het onderdeel betoogt dat een vordering ook achteraf voldoende objectief bepaald is als na het horen van de curator komt vast te staan dat de curator ten tijde van de cessie de vordering kende of had kunnen kennen.
3.2
Voor overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken (art. 3:84 lid 1 BW Pro). Bij de titel moet het goed met voldoende bepaaldheid omschreven zijn (art. 3:84 lid 2 BW Pro). Deze eis van voldoende bepaaldheid (hierna: het bepaaldheidsvereiste) mag niet strikt worden uitgelegd. [4] Aan het oordeel van de rechter is overgelaten welke mate van bepaaldheid aanwezig moet zijn. [5] Naar vaste rechtspraak is voor het overdragen of verpanden van vorderingen op naam noodzakelijk, maar ook voldoende, dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand van objectieve gegevens kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. [6] De vraag hoe specifiek de gegevens dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. [7] Een generieke omschrijving van de over te dragen vorderingen kan tot een geldige overdracht leiden, indien aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn overgedragen. Het ontbreken van nadere specificaties van de betrokken vorderingen hoeft daarom niet eraan in de weg te staan dat zij voldoende bepaald zijn in de zin van art. 3:84 lid 2 BW Pro. [8]
3.3
In dit geval hebben partijen bij de cessie de door de curator in het faillissement van [betrokkene 1] over te dragen vorderingen omschreven als “vorderingen (…) voor zover deze [de curator in het faillissement van [betrokkene 1] ] bekend zijn en redelijkerwijs bekend kunnen zijn” (zie hiervoor in 2.2 onder (v)). Het oordeel van het hof komt erop neer dat een zodanige omschrijving niet zonder meer voldoet aan het bepaaldheidsvereiste, en dat daarvoor nodig is dat de bekendheid van de curator in het faillissement van [betrokkene 1] met de over te dragen vorderingen kan worden vastgesteld aan de hand van objectieve gegevens. Dat oordeel geeft, mede in het licht van hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Naar het oordeel van het hof heeft [eiseres] geen, althans onvoldoende objectieve gegevens aangevoerd aan de hand waarvan de bekendheid van de curator in het faillissement van [betrokkene 1] met de over te dragen vorderingen kan worden vastgesteld. Dat oordeel is tegen de achtergrond van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. Bij gebreke van voldoende stellingen op dit punt behoefde het hof [eiseres] niet toe te laten tot het leveren van bewijs van bekendheid van de vorderingen bij de curator in het faillissement van [betrokkene 1] .
3.4
De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht faalt.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cumberland begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
3 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1147.
2.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6971.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 januari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:117.
4.Vgl. Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1248.
5.Parl. Gesch. Boek 3, p. 402. Vgl. ook HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947, rov. 4.6.2.
6.Onder meer HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590, rov. 3.3; HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841, rov. 3.2; HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947, rov. 4.6.2.
7.HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947, rov. 4.6.2; HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165, rov. 3.6.
8.HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947, rov. 4.6.2; HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, rov. 3.5.