ECLI:NL:HR:2026:1147

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
25/01509
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:334a lid 3 BWArt. 2:334f lid 2 onder d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in faillissementsvorderingen Triskalion B.V.

In deze zaak staat centraal de verificatie van vorderingen in het faillissement van Triskalion B.V. Zowel eiseres als Cumberland hebben vorderingen ingediend en betwisten elkaars aanspraken. De procedure betreft een renvooiprocedure over de vorderingen van Cumberland, terwijl een parallelle procedure over de vorderingen van eiseres eveneens aanhangig is.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin de feiten en eerdere beslissingen zijn vastgelegd. In het principale cassatieberoep stelt eiseres zich op het standpunt dat haar vorderingen erkend moeten worden, maar de Hoge Raad wijst dit beroep af. Dit volgt mede uit het feit dat in een gelijktijdig arrest (zaak 25/01510) is vastgesteld dat eiseres geen schuldeiser is in het faillissement.

Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van Cumberland behoeft geen behandeling omdat het principale beroep is verworpen. De Hoge Raad veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Cumberland. Hiermee is de procedure definitief afgesloten met een bevestiging van de eerdere uitspraken dat eiseres geen aanspraak kan maken op de faillissementsvorderingen.

De uitspraak benadrukt het belang van nauwkeurige beschrijving van het vermogen bij overgang van rechtsverhoudingen door afsplitsing en de toepassing van faillissementsrechtelijke regels omtrent cessie en verificatie van vorderingen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van eiseres en bevestigt dat zij geen schuldeiser is in het faillissement van Triskalion B.V.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01509
Datum3 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiseres] ,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
CUMBERLAND INVESTMENTS DESIGNATED ACTIVITY COMPANY,
gevestigd te Dublin, Ierland,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Cumberland,
advocaat: A.G. Colenbrander.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/02/391162 / HA ZA 21-622 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 maart 2022 en 23 november 2022;
b. het arrest in de zaak 200.323.565/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 januari 2025.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Cumberland heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Cumberland mede door M.D.C. Klaassen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

Beide partijen hebben in het faillissement van Triskalion B.V. vorderingen ter verificatie ingediend. Zij betwisten over en weer elkaars vorderingen. Deze renvooiprocedure gaat over de vorderingen van Cumberland. Ook over de vorderingen van [eiseres] is een renvooiprocedure aanhangig. Daarin doet de Hoge Raad vandaag eveneens uitspraak (zaak 25/01510). [1]

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1
Bij arrest van heden verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiseres] in de zaak 25/01510. Daarmee staat onherroepelijk vast dat [eiseres] geen schuldeiser is in het faillissement van Triskalion B.V. Dit brengt mee dat [eiseres] geen belang heeft bij het cassatieberoep in de onderhavige zaak. Voor zover het middel vragen van Unierecht oproept, zijn deze daarmee niet relevant voor de uitkomst van het geding.
3.2
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de in het principale beroep aangevoerde klachten slagen, behoeft gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cumberland begroot op € 8.508,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
3 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1148.