ECLI:NL:HR:2026:1013

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
25/02701
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Wet IB 2001Art. 9.7 Wet IB 2001Art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001Art. 25c AWRArt. 13 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in zaak box 3-heffing 2017-2020

Belanghebbende heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2017 tot en met 2020.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld aan de hand van de gronden die zijn vermeld in een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2026:907). De middelen van belanghebbende zijn verworpen en het beroep in cassatie is ongegrond verklaard.

De zaak betreft onder meer de vraag of niet-bezwaarmakers alsnog in aanmerking kunnen komen voor vermindering van de box 3-heffing op grond van het arrest ECLI:NL:HR:2021:1963, waarbij het evenredigheidsbeginsel en de mogelijkheid tot exceptieve toetsing centraal staan.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Het arrest is uitgesproken door de Hoge Raad op 25 juni 2026, waarbij de vice-president als voorzitter en vier raadsheren het arrest hebben gewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/02701
Datum25 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juli 2025, nrs. BRE 24/6239 t/m 24/6242 [1] , betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 tot en met 2020 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door C. Overduin, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 8 mei 2026 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nr. 25/02700, ECLI:NL:HR:2026:907, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2026:457, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2026:463.