ECLI:NL:HR:2026:1013
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in zaak box 3-heffing 2017-2020
Belanghebbende heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2017 tot en met 2020.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld aan de hand van de gronden die zijn vermeld in een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2026:907). De middelen van belanghebbende zijn verworpen en het beroep in cassatie is ongegrond verklaard.
De zaak betreft onder meer de vraag of niet-bezwaarmakers alsnog in aanmerking kunnen komen voor vermindering van de box 3-heffing op grond van het arrest ECLI:NL:HR:2021:1963, waarbij het evenredigheidsbeginsel en de mogelijkheid tot exceptieve toetsing centraal staan.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Het arrest is uitgesproken door de Hoge Raad op 25 juni 2026, waarbij de vice-president als voorzitter en vier raadsheren het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.