ECLI:NL:HR:2025:1761

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
24/01597
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over aansprakelijkheid in het kader van het Europese mededingingsrecht met betrekking tot het lift- en roltrapkartel

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die betrekking heeft op aansprakelijkheid in het kader van het Europese mededingingsrecht, specifiek met betrekking tot het lift- en roltrapkartel. De eisers, KONE B.V. en OTIS B.V., hebben cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin de aansprakelijkheid van beide bedrijven werd vastgesteld voor schade die woningcorporaties hebben geleden als gevolg van inbreuken op het kartelverbod. De Stichting De Glazen Lift (DGL) heeft in beide zaken incidenteel cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad heeft vastgesteld dat KONE en OTIS onrechtmatig hebben gehandeld door deel te nemen aan het kartel, dat van 15 april 1998 tot 5 maart 2004 heeft geduurd. De Europese Commissie had eerder boetes opgelegd aan deze bedrijven wegens inbreuken op het kartelverbod. De Hoge Raad oordeelde dat de aansprakelijkheid van KONE beperkt is tot de periode waarin zij daadwerkelijk aan het kartel heeft deelgenomen, terwijl OTIS hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele inbreukperiode. De Hoge Raad heeft de klachten van beide bedrijven over de vaststelling van de aansprakelijkheid verworpen en geoordeeld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, wat voldoende is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.

De uitspraak benadrukt de gevolgen van deelname aan een kartel en de aansprakelijkheid die daaruit voortvloeit voor de betrokken ondernemingen. De Hoge Raad heeft de kosten van het geding in cassatie toegewezen aan de eisers, KONE en OTIS, en de vorderingen van DGL zijn in beide zaken toegewezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummers24/01597 en 24/01603
Datum28 november 2025
ARREST
In de zaak van
KONE B.V.,
gevestigd te Voorburg,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: Kone,
advocaten: A. Knigge en A. Stortelder,
tegen
STICHTING DE GLAZEN LIFT,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,
hierna: DGL,
advocaten: P.A. Fruytier en H. Boom,
en in de zaak van
OTIS B.V.,
gevestigd te Utrecht,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: Otis,
advocaten: J.W.M.K. Meijer en J.J. Valk,
tegen
STICHTING DE GLAZEN LIFT,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,
hierna: DGL,
advocaten: P.A. Fruytier en H. Boom.

1.Procesverloop in beide zaken

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/439791/ HA ZA 13-1278 van de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2016, 25 mei 2016, 29 mei 2019 en 23 juni 2021;
b. de arresten in de zaken 200.303.426/01 en 200.303.480/01 van het gerechtshof Den Haag van 26 april 2022 en 23 januari 2024.
Kone en Otis hebben elk afzonderlijk tegen het arrest van het hof van 23 januari 2024 beroep in cassatie ingesteld.
DGL heeft in beide zaken incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaken zijn voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Kone mede door L.A. Burwick en N. Lgarah, voor Otis mede door S.Y.S. Dam en voor DGL in beide zaken mede door G.J. Standhardt en E.W.T. Kerckhoffs.
De conclusies van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekken tot verwerping, zowel van het principaal cassatieberoep als van het incidenteel cassatieberoep, in beide zaken.
De advocaten van Kone, Otis en DGL hebben schriftelijk op die conclusies gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten in beide zaken

2.1
Deze zaken gaan over vorderingen tot vergoeding van schade als gevolg van inbreuk op het Europese kartelverbod (zogenoemde
follow-on-vorderingen). De Hoge Raad doet vandaag ook uitspraak [1] in twee andere zaken over
follow-on-vorderingen naar aanleiding van hetzelfde kartel.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Kone en Otis zijn ondernemingen die zich bezighouden met het fabriceren, onderhouden en moderniseren van liften en roltrappen.
(ii) Er zijn vijf grote lift- en roltrapfabrikanten actief in Europa: Otis, Kone, Schindler, ThyssenKrupp en Mitsubishi Elevator Europe.
(iii) Aan deze vijf lift- en roltrapfabrikanten heeft de Europese Commissie bij onherroepelijk geworden beschikking van 21 februari 2007 [2] (hierna: de Beschikking) boetes opgelegd van in totaal € 992 miljoen wegens inbreuk in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland op het kartelverbod van art. 101 VWEU, voorheen art. 81 EG-Verdrag. In de Nederlandse samenvatting van de Beschikking [3] is de werking van het kartel als volgt beschreven:
“7. Met name werden de volgende inbreuken gepleegd in één, verscheidene of alle betrokken lidstaten:
- afspraken over de verdeling van de afzet en installatie van liften en roltrappen;
- afspraken over de toewijzing van openbare en particuliere aanbestedingen, alsook van andere contracten, voor de verkoop en installatie van liften en roltrappen naar gelang van het overeengekomen aandeel van iedere onderneming in de afzet;
- afspraken over de toewijzing van projecten voor de verkoop en installatie van nieuwe liften en/of roltrappen overeenkomstig het beginsel dat bestaande klantenrelaties in acht moeten worden genomen;
- afspraken niet onderling te concurreren om onderhoudscontracten voor reeds bestaande liften en roltrappen en afspraken over de inschrijving op deze opdrachten;
- afspraken niet onderling te concurreren om onderhoudscontracten voor nieuwe liften en roltrappen en afspraken over de inschrijving op deze opdrachten; en
- afspraken niet onderling te concurreren om moderniseringscontracten.
Enkele van de voornaamste kenmerken van de inbreuken waren uitwisseling van commercieel belangrijke en vertrouwelijke markt- en ondernemingsinformatie, onder andere met betrekking tot biedgedrag en prijzen. De deelnemers kwamen regelmatig bijeen om afspraken over hogervermelde beperkingen te maken en zij hielden toezicht op de uitvoering ervan op de nationale markten. Er zijn bewijzen voorhanden dat de ondernemingen zich ervan bewust waren dat hun gedrag onwettig was en dat zij trachtten te voorkomen dat dit werd ontdekt; hun werknemers ontmoetten elkaar gewoonlijk in bars en restaurants, op het platteland of zelfs in het buitenland, en gebruikten prepaid-kaarten voor mobiele telefoons om te voorkomen dat zij werden opgespoord.”
(iv) De duur van het kartel in Nederland was van 15 april 1998 tot 5 maart 2004. Kone heeft daaraan deelgenomen van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 en Otis gedurende de gehele periode. Voor de inbreuk in Nederland heeft de Europese Commissie aan Kone een boete opgelegd van € 79.750.000,-- en aan Otis een boete van € 108.035.000,--.
(v) Met betrekking tot het effect van de inbreuk heeft de Commissie in de Beschikking onder meer het volgende overwogen (voetnoten weggelaten):
“The actual impact of the infringements
(660) In this case, the Commission did not attempt to demonstrate the precise effects of the infringement since it is impossible to determine with sufficient certainty the relevant competitive parameters (price, commercial terms, quality, innovation, and others) in the absence of the infringements. However it is obvious that the infringements did have an actual impact. The fact that the various anticompetitive arrangements were implemented by the cartel participants in itself suggests an impact on the market, even if the actual effect is difficult to measure, because it is, in particular, not known if and how many other projects were subject to bid-rigging, nor how many projects may have been subject to allocation between cartel members without there being a need for contacts between them. The high aggregate market shares of the cartel participants make anticompetitive effects appear likely and the relative stability of these market shares throughout the duration of the infringements would confirm these effects.
(…)
(668) The fact that the arrangements allegedly occurred on an ad hoc basis or that individual cartel members did not participate in certain projects (referred to by the Commission as mere examples based on information provided by undertakings under the Leniency Notice), does not affect the observation that the Dutch cartel was a complex, single and continuous infringement, nor that the overall infringement was very serious. In fact the circumstances of this case make it almost impossible to measure the extent of the obstacles to trade and, therefore, to take account of those obstacles in assessing the impact of the infringement on the market.
(669) In conclusion, the parties’ arguments cannot serve to demonstrate that the cartels were ineffective in freezing market shares and fixing prices in the elevators and escalators market. It remains undisputed that the unlawful arrangements had market effects (…).”
(vi) DGL is op 12 augustus 2008 opgericht. Het statutaire doel van DGL is het behartigen van de belangen van woningcorporaties die schade hebben geleden als gevolg van het hiervoor onder (iii) en (iv) bedoelde kartel. Bij DGL zijn 40 woningcorporaties aangesloten, die hun vorderingen op de karteldeelnemers aan DGL hebben gecedeerd (hierna: de woningcorporaties). Gezamenlijk hebben de woningcorporaties ongeveer 7.000 liften in gebruik.
2.3
In deze procedure vordert DGL, samengevat, verklaringen voor recht dat Kone en Otis in strijd hebben gehandeld met art. 81 EG Verdrag (thans art. 101 VWEU), althans onrechtmatig hebben gehandeld jegens de woningcorporaties, en dat Kone en Otis uit hoofde van art. 6:162 BW in verbinding met art. 6:102 BW of art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de woningcorporaties geleden schade, op te maken bij staat.
2.4
De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen ten aanzien van 37 woningcorporaties. [4]
2.5
Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht aldus aangevuld, dat de aansprakelijkheid van Kone en Otis mede betrekking heeft op nog een andere woningcorporatie, dat de aansprakelijkheid van Kone beperkt is tot de periode van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 en dat de aansprakelijkheid van Otis de periode van 15 april 1998 tot 5 maart 2004 beslaat. [5] Het heeft daartoe als volgt overwogen.
Voor de reikwijdte van de inbreuk moet worden uitgegaan van de Beschikking. Daaruit blijkt dat het kartel zich uitstrekte tot het gehele grondgebied van Nederland. De effecten van de ‘
single and continuous infringement’bleven niet beperkt tot opdrachten ten aanzien waarvan het verdelingsmechanisme concreet werd toegepast, maar de verdeling van deze opdrachten was onderdeel van een ‘
overall scheme to share and regulate the market’.Bovendien kon door uitwisseling van concurrentiegevoelige informatie het marktgedrag van karteldeelnemers buiten de context van de specifieke projecten waarover overleg plaatsvond, worden beïnvloed, hetgeen gezien hun marktaandelen (83-97%) gevolgen had voor vrijwel de gehele markt. Onderhoudscontracten voor nieuwe liftinstallaties vielen binnen de reikwijdte van de inbreuk en ook MonoSpace liften vielen daaronder. Het kan in het midden blijven of het kartel daadwerkelijk alle transacties op de markten voor de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften omvatte. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Uit de Beschikking volgt dat het kartel een veelomvattende, langdurige en systematische inbreuk betrof, die de mededinging op de desbetreffende markten in geheel Nederland heeft beperkt. Die afbakening van de reikwijdte van het kartel is voldoende om te kunnen beoordelen of de mogelijkheid van schade ten aanzien van een woningcorporatie aannemelijk is. (rov. 6.5-6.11)
Uit de Beschikking kan worden afgeleid dat de inbreuk effect op de markt heeft gehad, waaronder hogere prijzen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken. Het onderling uitwisselen en afstemmen van prijzen vormde ook daadwerkelijk onderdeel van het kartel. De overweging in de Beschikking dat het bijna onmogelijk is om de precieze prijseffecten van het kartel te meten, kan van belang zijn in de schadestaatprocedure, maar niet in deze (hoofd)procedure. In deze (hoofd)procedure hoeft slechts aannemelijk te zijn dat het kartel tot hogere prijzen heeft geleid. Ook de Kartelschaderichtlijn gaat ervan uit dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden, en voorziet op grond van dat uitgangspunt in een bewijsvermoeden van de schade. De richtlijn is niet direct van toepassing op de vorderingen van DGL. De economische principes die aan dit bewijsvermoeden ten grondslag liggen zijn echter algemeen aanvaard. (rov. 6.15-6.23)
De grondslag voor de aansprakelijkheid van Kone en Otis is de onrechtmatige deelname aan het kartel. Ook als een opdracht niet werd aanbesteed, maar één-op-één aan een karteldeelnemer werd gegund, viel deze binnen de reikwijdte van de inbreuk en is de mogelijkheid van schade aannemelijk. De deelname aan het kartel kan onrechtmatig worden geacht jegens woningcorporaties die in de inbreukperiode één of meer liften hebben gekocht en/of diensten hebben afgenomen van een karteldeelnemer, zonder dat hoeft te worden vastgesteld dat bij die transactie(s) het verdelingsmechanisme daadwerkelijk is toegepast. De drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat een woningcorporatie ten minste in één geval direct of indirect (bijvoorbeeld via een projectontwikkelaar of een aannemer) producten en/of diensten van een karteldeelnemer heeft afgenomen tijdens de inbreukperiode. Het hof volgt niet het standpunt van DGL dat het voor de aannemelijkheid van mogelijke schade volstaat dat een woningcorporatie tijdens de inbreukperiode een lift in eigendom had. Die lift kan immers buiten de inbreukperiode zijn gekocht, afkomstig zijn van een ander dan een karteldeelnemer of door een ander dan een karteldeelnemer zijn onderhouden of gemoderniseerd. Dat ook de prijzen van producten of diensten van niet-karteldeelnemers door het kartel zijn beïnvloed (als gevolg van het zogenoemde ‘umbrellapricing’), heeft DGL niet of althans niet voldoende gemotiveerd gesteld. (rov. 6.28-6.31)
Aan de vereisten van art. 6:166 BW voor hoofdelijke aansprakelijkheid is voldaan. De grondslag voor de aansprakelijkheid is de deelname aan het kartel. Deelname aan het kartel kon schade toebrengen aan de gebruikers, waaronder de woningcorporaties. De liftfabrikanten zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars gedragingen in kartelverband. De hoofdelijke aansprakelijkheid strekt zich ook uit tot de gedragingen van de drie liftfabrikanten waarmee DGL regelingen heeft getroffen. (rov. 6.66-6.67)
Kone heeft er terecht op gewezen dat zij niet de gehele inbreukperiode in Nederland aan het kartel heeft deelgenomen. De grondslag van de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van Kone is haar deelname aan het kartel. Een grondslag voor die aansprakelijkheid ontbreekt in de tijd waarin Kone niet aan het kartel heeft deelgenomen. Kone is dan ook alleen aansprakelijk voor de periode vanaf 1 juni 1999. In zoverre zal het hof de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht aanpassen. (rov. 6.68-6.69)
3. Beoordeling van de middelen in het principale en het incidentele beroep in beide zaken
3.1
Onderdeel 1 van het middel in het principale beroep van Kone en onderdeel 1 van het middel in het principale beroep van Otis richten verschillende klachten tegen het oordeel van het hof (rov. 6.15-6.23) dat het aannemelijk is dat het kartel een prijsverhogend effect heeft gehad. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
Verhouding hoofdprocedure en schadestaatprocedure
3.2.1
Onderdeel 2 van het middel in het principale beroep van Kone, de onderdelen 2 en 3 van het middel in het principale beroep van Otis en de onderdelen I van de middelen in de incidentele beroepen van DGL zijn gericht tegen rov. 6.28-6.31 van het bestreden arrest en betogen, kort samengevat, dat het hof een onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven over de verhouding tussen de hoofdprocedure en de schadestaatprocedure.
3.2.2
Onderdeel 2 van het middel in het principale beroep van Kone en de onderdelen 2 en 3 van het middel in het principale beroep van Otis klagen onder meer dat het hof heeft miskend dat de (enkele) onrechtmatige deelname aan het kartel onvoldoende is voor aansprakelijkheid van Kone en Otis jegens een woningcorporatie en dat daarvoor tevens is vereist dat met een woningcorporatie een transactie is aangegaan waarover een meerprijs is berekend, althans waarvoor die mogelijkheid voldoende aannemelijk is. De vaststelling van die transactie(s) maakt deel uit van de grondslag waarop de aansprakelijkheid berust, en zonder die vaststelling is de mogelijkheid van schade niet aannemelijk. Dat betekent dat in de hoofdprocedure per woningcorporatie en per transactie de aansprakelijkheid moet worden vastgesteld ter zake waarvan een schadevergoedingsverplichting is ontstaan waarvan inhoud en omvang in de schadestaatprocedure kunnen worden vastgesteld, aldus de onderdelen.
3.2.3
De rechter kan een vordering tot schadevergoeding op de voet van art. 612 Rv naar de schadestaatprocedure verwijzen indien (i) de grondslag van aansprakelijkheid van de schuldenaar vaststaat, (ii) de mogelijkheid van schade aannemelijk is en, (iii) de begroting van de schade in de hoofdprocedure hem niet mogelijk is. [6] De hoofdprocedure dient er dus toe om de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding vast te stellen. In de schadestaatprocedure kunnen slechts die schadeposten aan de orde komen die zijn veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde normschending als grondslag voor de aansprakelijkheid. Die schadeposten behoeven niet al in de hoofdprocedure te zijn gesteld, zodat ook nieuwe schadeposten in de schadestaat opgenomen kunnen worden (art. 615 Rv). [7]
3.2.4
Het hof heeft geoordeeld dat de grondslag voor de aansprakelijkheid van Kone en Otis is gelegen in hun onrechtmatige deelname aan het kartel. Daarvan uitgaande, en tevens uitgaande van zijn in cassatie tevergeefs bestreden oordeel (zie hiervoor in 3.1) dat aannemelijk is dat het kartel een prijsopdrijvend effect heeft gehad, kon het hof voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende achten dat tussen een karteldeelnemer en een woningcorporatie – direct of indirect – ten minste één transactie heeft plaatsgevonden tijdens de inbreukperiode. De grondslag voor aansprakelijkheid jegens de desbetreffende woningcorporatie staat met die ene transactie immers vast en ten aanzien van die woningcorporatie is daarmee tevens de mogelijkheid van schade als gevolg van de onrechtmatige deelname aan het kartel, voldoende aannemelijk. De klachten van de onderdelen stuiten hierop af.
3.2.5
Opmerking verdient dat voor de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden voor verwijzing naar de schadestaatprocedure (zie hiervoor in 3.2.3), niet van belang is of een benadeelde bij een enkele en voortdurende inbreuk (‘
single and continuous infringement’) op het Europese kartelverbod (art. 101 VWEU) één schadevergoedingsvordering heeft voor alle transacties, dan wel voor elke transactie een afzonderlijke schadevergoedingsvordering. Daarom behoeft de beantwoording van de prejudiciële vragen die de Hoge Raad in zijn uitspraak van 20 juni 2025 [8] aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft voorgelegd, niet te worden afgewacht.
3.2.6
De onderdelen I van de middelen in de incidentele beroepen klagen onder meer dat het hof is uitgegaan van een te hoge drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Het hof heeft volgens de onderdelen ten onrechte als drempel gehanteerd dat een woningcorporatie ten minste in één geval direct of indirect producten en/of diensten van een karteldeelnemer heeft afgenomen tijdens de inbreukperiode. Voldoende is dat een woningcorporatie tijdens de inbreukperiode een liftinstallatie in eigendom of in gebruik had, aldus de onderdelen.
3.2.7
De onderdelen falen. Het oordeel van het hof dat het voor de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade niet volstaat dat een woningcorporatie tijdens de inbreukperiode een lift in eigendom had, omdat die lift buiten de inbreukperiode kan zijn gekocht, afkomstig kan zijn van een ander dan een karteldeelnemer, of door een ander dan een karteldeelnemer kan zijn onderhouden of gemoderniseerd, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de voorwaarden voor verwijzing naar de schadestaatprocedure (zie hiervoor in 3.2.3).
Reikwijdte aansprakelijkheid
3.3.1
Onderdeel II van het middel in het incidentele beroep in de zaak 24/01597 bestrijdt het oordeel van het hof (in rov. 6.68 en 6.69) over de reikwijdte van de aansprakelijkheid van Kone. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat hoofdelijke aansprakelijkheid van een partij wegens een schending van art. 101 VWEU niet is beperkt tot de periode waarin de partij feitelijk aan het kartel heeft deelgenomen.
3.3.2
Deze klacht mist doel. De grondslag voor de aansprakelijkheid van Kone is haar deelname aan het kartel (zie hiervoor in 3.2.4). Het hof heeft terecht geoordeeld dat Kone niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schadelijke gevolgen van gedragingen van de andere liftfabrikanten in kartelverband in de periode vóór haar deelname, ook niet op grond van art. 6:166 BW. Die bepaling brengt niet mee dat een deelnemer aan een groep aansprakelijk is voor schade die in groepsverband is toegebracht voorafgaand aan het moment waarop hij aan de groep is gaan deelnemen.
3.4
De overige klachten van de middelen in de principale beroepen en van de middelen in de incidentele beroepen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
In de zaak 24/01597:
in het principale beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Kone in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van DGL begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Kone deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt DGL in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Kone begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien DGL deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
In de zaak 24/01603:
in het principale beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Otis in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van DGL begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Otis deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt DGL in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Otis begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien DGL deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
28 november 2025.

Voetnoten

1.HR 28 november 2025, ECLI:NL:2025:1764, zaaknrs. 24/01598 en 24/01599.
2.Commission Decision of 21 February 2007 relating to a proceeding under Article 81 of the EC Treaty (AT.38823 – Elevators and Escalators), C (2007) 512 final; zie ook de samenvatting in PbEU 2008, C 75/19; Gerecht EU 13 juli 2011, zaak T-151/07, ECLI:EU:T:2011:365; HvJEU 24 oktober 2013, zaak C-510/11 P, ECLI:EU:C:2013:696).
3.PbEU 26 maart 2008, C 75, p. 19-24.
4.Rechtbank Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6635.
5.Gerechtshof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:141.
6.Vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246, rov. 3.5.2.
7.Vgl. HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, rov. 3.4.2.
8.HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 en HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:946. Zie ook: HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:414 en HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:415.