Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 maart 2024.
Hoge Raad
De curator in het faillissement van een holding B.V. stelde Knab aansprakelijk wegens het niet tijdig onderkennen van de ontbinding en het faillissement van haar cliënt, stellende dat de bank tekort was geschoten in haar zorgplicht en cliëntenonderzoek. De zaak liep via rechtbank en gerechtshof, waarbij het hof het standpunt van de curator verwierp.
De curator stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de klachten van de curator beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de klachten inhoudelijk te motiveren, omdat het oordeel geen gevolgen heeft voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, begroot op ruim €9.300. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand dat de bank niet aansprakelijk is voor de door de curator gestelde tekortkomingen in het cliëntenonderzoek en monitoren van de cliënt.
De zaak betreft belangrijke vragen over de zorgplicht van banken op grond van onder meer de Wft, Bpr en Wwft, en de toepassing van de pauliana in faillissementsrecht. De Hoge Raad bevestigt de eerdere rechtspraak zonder nadere motivering.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de curator wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.