De rechtbank Amsterdam behandelde een civiele zaak waarin eiser schadevergoeding vordert van de bank wegens onvoldoende zorgvuldigheid bij het signaleren van fraude op een bankrekening. De bank werd op 20 juni 2019 bewust van ongebruikelijke activiteiten en had toen onderzoek moeten doen en maatregelen moeten treffen, wat zij naliet.
De rechtbank concludeerde dat de bank vanaf die datum onrechtmatig handelde en veroordeelde haar tot vergoeding van 20% van de schade, € 54.093,38, inclusief wettelijke rente vanaf 1 januari 2020. Voor de periode vóór 20 juni 2019 stelde de rechtbank vast dat de bank niet aansprakelijk is omdat zij niet wist van het ongebruikelijke betalingsverkeer.
Daarnaast werd de bank veroordeeld tot vergoeding van een evenredig deel van de redelijke kosten voor het in kaart brengen van de fraude, € 6.601,67. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat partijen hun eigen kosten dragen.
De rechtbank benadrukte dat de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) niet strekt tot bescherming tegen door fraude geleden schade, maar gericht is op bestrijding van activiteiten die het gezag van de overheid ondermijnen. De zorgplicht van de bank strekte zich uit tot het moment waarop zij kennis had van het ongebruikelijke betalingsverkeer.
De uitspraak bevestigt dat banken pas tot onderzoek kunnen worden gehouden als zij daadwerkelijk kennis hebben van ongebruikelijke transacties en dat eigen schuld van eiser mede bepalend is voor de schadeverdeling.