Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 januari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek van betrokkene om vergoeding van advocaatkosten gemaakt in een cassatieprocedure tegen een beschikking tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
De rechtbank Gelderland verleende de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, welke beschikking door de Hoge Raad werd vernietigd. De toevoeging voor rechtsbijstand in cassatie werd door de Raad voor Rechtsbijstand ingetrokken omdat betrokkene de kosten op een derde kon verhalen. Betrokkene verzocht vervolgens om een schadevergoeding op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro voor de advocaatkosten.
De rechtbank wees dit verzoek af, maar het hof vernietigde dat oordeel en kende een vergoeding toe. De Hoge Raad bevestigt dat de advocaatkosten geen proceskosten zijn, maar vermogensschade die onder art. 6:96 lid 2 BW Pro valt en dat vergoeding niet forfaitair hoeft te zijn. De toevoeging kan niet met terugwerkende kracht worden ingetrokken indien deze is verleend op last van de rechter, maar wel indien verleend op aanvraag van de advocaat met beoordeling op draagkracht.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Staat en bevestigt dat in Wvggz-cassatieprocedures de gemaakte kosten van rechtsbijstand in beginsel volledig vergoed kunnen worden, mits zij redelijk en noodzakelijk zijn volgens de dubbele redelijkheidstoets.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat vergoeding van advocaatkosten in cassatie op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz mogelijk is, ook na intrekking van de toevoeging wegens verhaal op derde.