Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
.
5.Beslissing
8 maart 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen, waarin een regeling is getroffen voor de kosten van de huishouding en een periodiek verrekenbeding. Na echtscheiding heeft de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud gevorderd en is er discussie over de verrekening van kosten huishouding en het periodiek verrekenbeding.
De rechtbank kende partneralimentatie toe en wees de vordering van de man tot verrekening van kosten huishouding af. Het hof vernietigde de partneralimentatie en stelde deze lager vast, veroordeelde de vrouw tot terugbetaling van te veel ontvangen alimentatie, en veroordeelde de man tot betaling van een bedrag in het kader van het periodiek verrekenbeding. Het hof wees het verzoek van de man tot verrekening van kosten huishouding af, omdat de vordering en schuld elkaar zouden wegvallen.
De Hoge Raad oordeelt dat het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro ook schulden omvat en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de schuld van de vrouw tot haar te verrekenen vermogen behoort. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof Amsterdam voor nadere beoordeling, waarbij onder meer moet worden onderzocht of de schuld van de vrouw al dan niet tot het te verrekenen vermogen behoort.
De Hoge Raad wijst tevens op het belang van een juiste motivering over de financiële positie van de vrouw in relatie tot terugbetaling van partneralimentatie. De overige klachten leiden niet tot cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.