Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage) van 12 december 2024, ingekomen op dezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlage) van 19 mei 2025, ingekomen op 21 mei 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage) van 1 augustus 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage), van 21 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlagen) van 27 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlagen) van 27 oktober 2025, ingekomen op 28 oktober 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlagen) van 27 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage) van 28 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum.
3.De feiten
Artikel 1.
4.De omvang van het geschil
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afgewezen;
- de man veroordeeld om aan de vrouw in het kader van verrekening een bedrag te voldoen van € 693.260,11;
- de man veroordeeld om aan de vrouw in het kader van de vergoedingsrechten een bedrag te voldoen van € 9.178,-;
- de vrouw veroordeeld om aan de man in het kader van de vergoedingsrechten een bedrag te voldoen van € 15.714,-;
- het verzoek van de man ten aanzien van de verrekening van de kosten van de huishouding afgewezen;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
- de proceskosten gecompenseerd.
- het totaal te verrekenen vermogen te stellen op € 1.264.585,31 (na wijziging van eis € 574.435,20) en te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag verschuldigd was van € 614.112,40 (na wijziging van eis € 278.127,48) dan wel een zodanig bedrag als het Gerechtshof in goede justitie zal oordelen;
- de vrouw te veroordelen aan de man een bedrag te betalen van € 11.393,32 ter zake van de niet verdeelde huurinkomsten -/- kosten van het onroerend goed [adres 1] te [plaats 2] , in voege als vermeld onder Grief 6b, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het beroepschrift tot de datum der algehele voldoening;
- de vrouw te veroordelen ter zake van de verrekening van de kosten van de huishouding aan de man een bedrag te betalen van
(nawijziging van eis€ 60.242,-)
(nawijziging van eis€ 27.589,49)
(nawijziging van eis€ 26.158,27)
(nawijziging van eis€ 59.878,10)
(Nawijziging van eisdit stuk gewijzigd in: Dan wel subsidiair in de situatie dat het buitenlandse vermogen aangemerkt wordt als te verrekenen inkomen, een bedrag van € 256.586,10. Dan wel een zodanig bedrag als het Gerechtshof in goede justitie zal oordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024, de datum van uitspraak van de Rechtbank Rotterdam dan wel subsidiair vanaf de dag van indiening van dit beroepschrift dan wel meer subsidiair vanaf de dag van de uitspraak van het Gerechtshof tot de dag der algehele voldoening);
- de vrouw te veroordelen aan de man in het kader van vergoedingsrechten een bedrag te betalen van € 39.512,50 dan wel een zodanig bedrag als het Gerechtshof in goede justitie zal oordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 dan wel subsidiair vanaf de dag van indiening van het beroepschrift tot de dag der algehele voldoening;
- de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 4.760,04 ter zake van door de man geleden schade vanwege het onrechtmatig handelen van de vrouw in voege als voormeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de man de betalingen aan de geldlener heeft gedaan;
- de veroordeling van de man aan de vrouw in het kader van vergoedingsrechten een bedrag te betalen van € 9.178,- alsnog af te wijzen;
- de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen de man onder protest te veel aan de vrouw heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2024 (de dag waarop de man de laatste termijnbetaling heeft gedaan) tot de dag der algehele voldoening.
5.De motivering van de beslissing
Voor zover de stelling van de man dat hij minder had moeten bijdragen in de kosten van de huishouding juist zou zijn, zou dit ertoe hebben geleid dat hij (meer) overgespaard inkomen en/of vermogen zou hebben gehad, hetgeen aan het einde van het huwelijk conform het verrekenbeding alsnog met de vrouw verrekend had moeten worden.” Verder grieft de man dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat op grond van artikel 6 van Pro de huwelijkse voorwaarden voor de jaren 2019 tot en met 2021 geen vordering bestaat tot verrekening van de kosten van de huishouding vanwege het vervalbeding (grief 6a) en dat de rechtbank ten onrechte de verrekenvorderingen ter zake de jaren 2019 tot en met 2022 heeft afgewezen (grief 6b).
“
3.2 Uitgangspunt in cassatie is dat partijen aan het in art. 6 van Pro de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodieke verrekenbeding geen uitvoering hebben gegeven en dat daarom de huwelijkse voorwaarden moeten worden afgewikkeld op de voet van art. 1:141 lid 1 BW Pro, dat bepaalt: