ECLI:NL:GHDHA:2026:339

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
200.347.392/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:87 BWArt. 1:136 BWArt. 1:141 BWArt. 1:143 BWArt. 674 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verrekening huwelijkse voorwaarden en vergoedingsrechten na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd in 1987 en gescheiden in 2024. Zij sloten huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding, dat niet is uitgevoerd. De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van €693.260,11 voor verrekening en €9.178,- voor vergoedingsrechten, en de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van €15.714,- voor vergoedingsrechten.

In hoger beroep betwist de man de omvang van het te verrekenen vermogen en de vergoedingsrechten, terwijl de vrouw het principaal hoger beroep van de man niet-ontvankelijk acht en zelf incidenteel hoger beroep instelt tegen de verrekeningsbeslissingen. Het hof oordeelt dat de wijziging van eis van beide partijen niet toelaatbaar is wegens strijd met de tweeconclusieregel.

Het hof stelt vast dat stamrechten in een B.V. buiten het te verrekenen vermogen vallen, bevestigt de waarde van de Toyota Yaris en sluit de Peugeot uit de verrekening vanwege schenking. De zeilboot wordt meegenomen tegen €100.000. Het totaal te verrekenen vermogen wordt vastgesteld op €1.275.585,31, met een vordering van de vrouw op de man van €619.612,41.

De verrekening van de kosten van de huishouding wordt bekrachtigd met een andere motivering, waarbij vorderingen en schulden ten aanzien van deze kosten in de finale verrekening tegen elkaar wegvallen. Het vergoedingsrecht van de vrouw wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, evenals haar verzoek tot vergoeding van een bedrag gerelateerd aan een woning. Het vergoedingsrecht van de man wordt bekrachtigd afgewezen wegens gebrek aan bewijs.

De vrouw moet €82.825,70 terugbetalen aan de man wegens te veel ontvangen bedragen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat de man €619.612,41 aan de vrouw moet betalen, wijst het vergoedingsrecht van de vrouw af en veroordeelt haar tot terugbetaling van €82.825,70.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.347.392/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 23-2761 en FA RK 23-4667
zaaknummers rechtbank : C/10/656056 en C/10/661101
beschikking van de meervoudige kamer van 11 februari 2026
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. W.E. de Wit-de Witte te Goes,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.M. Klink te Waddinxveen.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna ook: de rechtbank) van 8 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De man is op 3 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vrouw heeft op 12 februari 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 29 april 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
De man heeft op 6 oktober 2025 een wijziging van eis in het principaal hoger beroep ingediend.
2.5
De vrouw heeft op 16 oktober 2025 een verweerschrift op de wijziging van eis in het principaal hoger beroep, tevens houdende vermeerdering van eis in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.6
De man heeft op 23 oktober 2025 een verweerschrift op de vermeerdering van eis in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.7
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
  • een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage) van 12 december 2024, ingekomen op dezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlage) van 19 mei 2025, ingekomen op 21 mei 2025;
  • een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage) van 1 augustus 2025, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage), van 21 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlagen) van 27 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlagen) van 27 oktober 2025, ingekomen op 28 oktober 2025;
  • een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlagen) van 27 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage) van 28 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum.
2.8
De mondelinge behandeling heeft op 7 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats 1] , op [datum] 1987.
3.3
De echtscheiding is op 4 oktober 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.4
Partijen hebben op 15 mei 1987 huwelijkse voorwaarden laten opmaken. Deze huwelijkse voorwaarden luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

Artikel 1.
De echtgenoten zullen buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd zijn.
Artikel 2.
1. Ieder der echtgenoten behoudt alle goederen welke hij of zij ten huwelijk aanbrengt en die welke hij of zij gedurende het huwelijk op welke wijze ook verkrijgt.
2. Ieder der echtgenoten is schuldenaar voor de in zijn persoon, zowel voor als na de
voltrekking van het huwelijk ontstane schulden.
De ene echtgenoot is echter ingevolge de wet naast de andere voor het geheel aansprakelijk voor de door deze ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen.
Artikel 3.
De klederen, het lijflinnen en de lijfsieraden zullen zonder nadere verrekening geacht
worden eigendom te zijn van diegene der echtgenoten bij wie zij in gebruik zijn of tot wiens gebruik zij bestemd zijn.
De familiepapieren en gedenkstukken tot zijn familie behorende, alsmede de goederen
behorende tot het beroeps- of bedrijfsvermogen van een der echtgenoten, zullen zonder nadere verrekening geacht worden eigendom te zijn van diegene der echtgenoten op wiens familie die goederen betrekking hebben, respectievelijk bij wie zij in gebruik zijn. In beide gevallen kan tegenbewijs geleverd worden.
Artikel 4.
Indien geen van beide echtgenoten kan bewijzen aan wie van hen een recht aan toonder of een zaak die geen registergoed is, toebehoort, dan wordt het goed geacht aan ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren.
(..)
Artikel 6.
De kosten van de huishouding komen ten laste van beide echtgenoten in evenredigheid van hun inkomsten: onder inkomsten wordt verstaan datgene wat voor de Rijksinkomstenbelasting als inkomsten wordt aangemerkt.
Indien deze inkomsten ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van de vermogens der echtgenoten, eveneens in evenredigheid daarvan.
Indien een der echtgenoten meer in de kosten der huishouding heeft bijgedragen dan
ingevolge het vorenstaande te zijnen laste komt, is de betreffende echtgenoot bevoegd
daarvan verrekening te vorderen binnen twaalf maanden na het einde van het kalenderjaar, waarin die bijdragen betaald zijn, bij gebreke waarvan het recht om verrekening te vorderen vervalt.
Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten der verzorging en opvoeding van de kinderen die uit het huwelijk worden geboren, door de echtelieden worden
geadopteerd of met beider toestemming in het gezin worden opgenomen, alsmede de premie van normale gezinsverzekeringen (waaronder begrepen normale spaar- en
studieverzekeringen voor de kinderen).
Tot de kosten van de huishouding behoren echter niet premies en koopsommen verschuldigd en/of betaald wegens overeenkomsten van levens- en ongevallenverzekering.
Artikel 7.
Iedere partij draagt de belastingen waarvoor hij als belastingplichtige geldt met dien
verstande dat belasting over inkomsten van de echtgenoot met het laagste persoonlijke
arbeidsinkomen welke bij de ander in aanmerking worden genomen en vallen onder een progressief tarief ook door die ander worden gedragen.
Artikel 8.
Hetgeen aan het einde van elk kalenderjaar van alle inkomsten na aftrek van de hierboven bedoelde uitgaven en belastingen overblijft, zal voor de ene helft toekomen aan de man en voor de wederhelft aan de vrouw en te hunner vrije beschikking zijn.
Indien terzake hiervan tussen de echtelieden een verrekening moet plaatsvinden, zal deze verrekening binnen een jaar na het einde van het afgelopen kalenderjaar dienen te
geschieden bij gebreke waarvan het recht om verrekening te vorderen vervalt.
Mocht een der partijen in staat van faillissement worden verklaard, dan zal in afwijking van het bovenstaande vanaf de datum waarop het faillissement wordt uitgesproken tot de dag waarop dit wordt opgeheven, ieder der partijen zijn eigen inkomsten behouden, zonder dat van enige verrekening sprake zal zijn.
De verplichting tot verrekening geldt niet met betrekking tot de tijd, dat de echtelijke samenwoning verbroken is geweest.
(...)

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank (voor zover in hoger beroep van belang):
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • het verzoek van de vrouw om partneralimentatie afgewezen;
  • de man veroordeeld om aan de vrouw in het kader van verrekening een bedrag te voldoen van € 693.260,11;
  • de man veroordeeld om aan de vrouw in het kader van de vergoedingsrechten een bedrag te voldoen van € 9.178,-;
  • de vrouw veroordeeld om aan de man in het kader van de vergoedingsrechten een bedrag te voldoen van € 15.714,-;
  • het verzoek van de man ten aanzien van de verrekening van de kosten van de huishouding afgewezen;
  • de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
  • de proceskosten gecompenseerd.
4.2
De grieven van de man zijn gericht tegen de beslissingen over de verrekening, de kosten van de huishouding en de vergoedingsrechten. De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen waar het de veroordelingen genoemd in de punten 4.3 tot en met 4.6 en 4.8 van het dictum betreft, en opnieuw rechtdoende uitvoerbaar bij voorraad:
  • het totaal te verrekenen vermogen te stellen op € 1.264.585,31 (na wijziging van eis € 574.435,20) en te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag verschuldigd was van € 614.112,40 (na wijziging van eis € 278.127,48) dan wel een zodanig bedrag als het Gerechtshof in goede justitie zal oordelen;
  • de vrouw te veroordelen aan de man een bedrag te betalen van € 11.393,32 ter zake van de niet verdeelde huurinkomsten -/- kosten van het onroerend goed [adres 1] te [plaats 2] , in voege als vermeld onder Grief 6b, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het beroepschrift tot de datum der algehele voldoening;
  • de vrouw te veroordelen ter zake van de verrekening van de kosten van de huishouding aan de man een bedrag te betalen van
€ 62.068,41 over het jaar 2019
(nawijziging van eis€ 60.242,-)
€ 28.823,03 over het jaar 2020
(nawijziging van eis€ 27.589,49)
€ 27.942,81 over het jaar 2021
(nawijziging van eis€ 26.158,27)
€ 32.281 ,55 over het jaar 2022
(nawijziging van eis€ 59.878,10)
Totaal € 151.115,80 dan wel een zodanig bedrag als het Gerechtshof in goede justitie
zal oordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024, de datum van uitspraak van de Rechtbank Rotterdam dan wel subsidiair vanaf de dag van indiening van het beroepschrift dan wel meer subsidiair vanaf de dag van de uitspraak van het Gerechtshof tot de dag der algehele voldoening.
(Nawijziging van eisdit stuk gewijzigd in: Dan wel subsidiair in de situatie dat het buitenlandse vermogen aangemerkt wordt als te verrekenen inkomen, een bedrag van € 256.586,10. Dan wel een zodanig bedrag als het Gerechtshof in goede justitie zal oordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024, de datum van uitspraak van de Rechtbank Rotterdam dan wel subsidiair vanaf de dag van indiening van dit beroepschrift dan wel meer subsidiair vanaf de dag van de uitspraak van het Gerechtshof tot de dag der algehele voldoening);
  • de vrouw te veroordelen aan de man in het kader van vergoedingsrechten een bedrag te betalen van € 39.512,50 dan wel een zodanig bedrag als het Gerechtshof in goede justitie zal oordelen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 dan wel subsidiair vanaf de dag van indiening van het beroepschrift tot de dag der algehele voldoening;
  • de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 4.760,04 ter zake van door de man geleden schade vanwege het onrechtmatig handelen van de vrouw in voege als voormeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de man de betalingen aan de geldlener heeft gedaan;
  • de veroordeling van de man aan de vrouw in het kader van vergoedingsrechten een bedrag te betalen van € 9.178,- alsnog af te wijzen;
  • de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen de man onder protest te veel aan de vrouw heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2024 (de dag waarop de man de laatste termijnbetaling heeft gedaan) tot de dag der algehele voldoening.
4.3
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man in het principaal hoger beroep. Zij vindt dat de man niet-ontvankelijk is in het principaal hoger beroep dan wel dat het principaal hoger beroep van de man moet worden afgewezen.
4.4
De vrouw richt in het incidenteel hoger beroep ook grieven tegen de beslissingen over de verrekening. De vrouw verzoekt het hof de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2024 te vernietigen ten aanzien van de punten 4.3 tot en met 4.5 van het dictum en opnieuw rechtdoende bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. primair: het totaal te verrekenen vermogen te stellen op € 1.576.543,90 dan wel een door het gerechtshof te bepalen bedrag vanwege het gestelde onder de grieven 10 tot en met 15,
subsidiair: het te verrekenen vermogen te bepalen op € 1.275,585,30 te vermeerderen met de stamrechten van € 300.958,64. De vrouw maakt in dat geval aanspraak op de helft van € 1.275.585,30 te vermeerderen met € 86.546,59 ter zake het stamrecht zoals toegelicht onder subsidiair onder punt 20. Althans zowel primair als subsidiair het te verrekenen vermogen te bepalen op een door uw gerechtshof vast te stellen bedrag.
(na wijziging van eis:
Primair: het totaal te verrekenen vermogen van € 1.576.543,90 te verhogen met het saldo van de man op de rekening waar zijn inkomsten uit [bedrijf] op zijn gestort die door de man zijn overgespaard. Dit voor zover de man het saldo op deze rekening per 7 april 2023 voor de zitting aan de hand van bewijzen heeft aangetoond en zijn contract met [bedrijf] heeft overgelegd. Voor zover de man hiermee in gebreke blijft te bepalen dat de man aan de vrouw naast de helft van bovenstaand saldo van € 1.576.543,90 een bedrag van € 180.000,- moet voldoen vanwege het verzwijgen van overgespaarde inkomsten die zijn gespaard in de periode november 2019 tot en met januari 2021 op een door de man niet opgegeven rekening.
Subsidiair:
Het te verrekenen vermogen van € 1.275.585,30 te vermeerderen met de stamrechten van € 86.546,59 als toegelicht onder punt 20 (in de brief van 16 oktober 2025) te verhogen met het saldo van de man op de rekening waar zijn inkomsten uit [bedrijf] op zijn gestort die door de man zijn overgespaard. Dit indien de man het saldo van deze rekening per 7 april 2023 voor de zitting aan de hand van bewijzen heeft aangetoond en zijn contract met [bedrijf] heeft overgelegd.
Voor zover de man hiermee in gebreke blijft te bepalen dat de man aan de vrouw naast de helft van bovenstaand saldo van € 1.275.585,30 en een bedrag van € 86.546,59 aan stamrechten een bedrag van € 180.000,- moet voldoen vanwege het verzwijgen van overgespaarde inkomsten die door de man zijn gespaard in de periode november 2019 tot en met januari 2021 op een door de man niet opgegeven rekening.);
B. te bepalen dat de man aan de vrouw ter zake het door partijen bij aankoop van zijn woning [adres 2] geïnvesteerde bedrag van € 18.378,- een vergoeding moet voldoen van € 9.189,- waardoor het in punt 4.4. van de beschikking bepaalde vergoedingsrecht van de man jegens de vrouw moet worden gewijzigd in € 18.367,-;
C. te bepalen dat voor zover de vrouw gehouden is de man bedragen te voldoen vermeerderd met rente te bepalen dat de man eenzelfde rente aan haar verschuldigd is over de haar toekomende bedragen vanaf 7 april 2023 tot aan de dag der voldoening op 8 september respectievelijk 12 november 2024.
4.5
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw in het incidenteel hoger beroep. Hij vindt dat het incidenteel hoger beroep van de vrouw moet worden afgewezen.
4.6
Partijen hebben over en weer bezwaar gemaakt tegen de wijziging/vermeerdering van eis in het principaal hoger beroep op 6 oktober 2025 door de man en tegen de wijziging/vermeerdering van eis in incidenteel hoger beroep op 16 oktober 2025 door de vrouw (zie hierna onder 5.1 en 5.2). .
4.7
Het hof zal de grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

Toelaatbaarheid gewijzigde verzoeken
5.1
De man heeft op 6 oktober 2025 een wijziging van eis in het principaal hoger beroep ingediend. Het hof is van oordeel dat deze wijziging in strijd is met de tweeconclusieregel en de goede procesorde omdat de man hieraan volledig nieuwe stellingen ten grondslag heeft gelegd. Het hof is niet gebleken dat de man zijn stellingen niet direct bij zijn beroepschrift had kunnen innemen. Het hof acht de wijziging van zijn verzoeken daarom niet toelaatbaar en zal alleen de (onderbouwing van de) grieven en verzoeken zoals in het beroepschrift geformuleerd, beoordelen.
5.2
Het hof is van oordeel dat ook de gewijzigde verzoeken van de vrouw ingediend op 16 oktober 2025 in strijd zijn met de tweeconclusieregel en de goede procesorde. De vrouw stelt dat zij pas na ontvangst van het verweerschrift van de man op het incidenteel hoger beroep voor het eerst bekend is geworden met de feiten die zij ten grondslag legt aan de wijziging van haar verzoeken. Zij verwijst echter al onder punt 43 van haar verweerschrift op het principaal hoger beroep naar die feiten. Anders dan de vrouw stelt, had zij al direct in haar incidenteel hoger beroep een grief en verzoek hierover kunnen formuleren.
De omvang van het te verrekenen vermogen
5.3
De peildatum voor het vaststellen van de omvang en waarde van het te verrekenen vermogen is 7 april 2023.
De stamrechten
5.4
De uitleg van een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden moet plaatsvinden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Dit betekent dat het antwoord op de vraag of een stamrecht valt aan te merken als overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking komt, afhangt van de uitleg die in het concrete geval moet worden gegeven aan het in het desbetreffende verrekenbeding opgenomen inkomensbegrip. Daarbij is niet uitgesloten dat het inkomensbegrip in een concreet geval zo moet worden uitgelegd dat een stamrecht daar niet onder valt, ongeacht hoe het stamrecht is gevormd (zie bijv. HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:417).
5.5
Het hof is van oordeel dat de stamrechten buiten het te verrekenen vermogen vallen omdat de stamrechten in een B.V. (namelijk [B.V. 1] ) zijn ondergebracht en de B.V. vóór de peildatum de stamrechten niet aan de man is begonnen uit te keren. Dat de stamrechten zijn toegekend aan de man door ex-werkgevers van de man als vergoeding voor te derven inkomsten, zoals de vrouw naar voren brengt, maakt dit niet anders aangezien die vergoeding op de peildatum (nog) niet aan de man was toegekomen en in de periode tot de peildatum derhalve geen inkomen voor de man als bedoeld in de huwelijkse voorwaarden heeft gevormd.
5.6
De toegekende stamrechten zijn dan ook geen saldo van belegging van hetgeen verrekend had moeten worden in de zin van artikel 1:141 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), wederom omdat zij zich niet bevinden in het vermogen van de man maar in het vermogen van de B.V. en deze stamrechten nog niet aan de man als inkomen waren toegekomen. Tot het vermogen van de man behoren wel de aandelen in de B.V. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de waarde van de aandelen nihil is. De waarde van de aandelen is (ook) in hoger beroep geen onderdeel van de rechtsstrijd. Voor zover de grieven volgens een van partijen zo moeten worden gelezen dat de aandelen op de peildatum toch een positieve waarde vertegenwoordigden, is het hof van oordeel dat de waarde van de tot het vermogen van de man behorende aandelen in de B.V. niet voor verrekening in aanmerking komt aangezien - gelet op het voorgaande - vast staat dat het vermogen van de B.V. niet is gevormd uit hetgeen in de periode tot de peildatum verrekend had moeten worden.
5.7
Gelet op het voorgaande slaagt grief 1 van de man en behoeft de (voorwaardelijke) grief 2 van de man geen verdere bespreking. De grieven 10 tot en met 13 van de vrouw behoeven ook geen bespreking, omdat zij de waarde van de stamrechten betreffen.
De Toyota Yaris
5.8
Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank dat de Toyota Yaris tegen een waarde van € 11.000,- onderdeel uitmaakt van het te verrekenen vermogen. Ook in hoger beroep heeft de man niet met stukken onderbouwd dat de koopsom van de Toyota Yaris vanuit niet te verrekenen vermogen is betaald. Tevens heeft de man in hoger beroep niet aangetoond dat de Toyota Yaris op de peildatum een waarde had die lager was dan € 11.000,-. De man heeft het aankoopbewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij de auto op 15 maart 2023 heeft gekocht voor € 11.250,-. Het hof acht het aannemelijk dat de Toyota Yaris op de peildatum (12 april 2023) een waarde had van € 11.000,-.
De Peugeot
5.9
Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank dat de Peugeot buiten de verrekening blijft. Vast staat dat de man de Peugeot aan de vrouw heeft geschonken. Schenkingen tussen echtgenoten vallen in redelijkheid buiten het te verrekenen vermogen nu deze naar het oordeel van het hof niet gerekend moeten worden tot het resultaat van belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, zelfs indien het geschonkene gevormd zou zijn uit hetgeen zonder schenking wel verrekend had moeten worden. Zou dit namelijk anders zijn dan zou dat er in wezen toe leiden dat een schenking tussen echtgenoten - in strijd met de bevoordelingsbedoeling van de schenker - zou worden doorkruist indien de waarde van het geschonkene alsnog in de verrekening moet worden betrokken. Dat de man er in hoger beroep niet langer achter staat dat de door hem aan de vrouw geschonken Peugeot buiten de verrekening wordt gehouden, is niet van belang.
De zeilboot
5.1
Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank dat de zeilboot in de verrekening wordt meegenomen tegen een waarde van € 100.000,-, zijnde het gemiddelde van de twee in 2023 uitgevoerde taxaties. De vrouw heeft ook in hoger beroep niet aangetoond dat de door [taxateur] uitgevoerde taxatie op grond van een overeenkomst tussen partijen bindend zou zijn.
Conclusie
5.11
Het hof stelt, mede onder verwijzing naar de bestreden beschikking, de omvang van het te verrekenen vermogen als volgt vast:
Te verrekenen vermogen aan de zijde van de man
Te verrekenen vermogen aan de zijde van de vrouw
Onroerende zaken
[adres 3]
€ 397.000,-
-
Aandelen
[B.V. 1]
-
-
Bankrekeningen
Totaalsaldo bankrekeningen man
€ 79.405,06
-
Totaalsaldo bankrekeningen vrouw
-
€ 18.180,25
Vorderingen
Vordering [B.V. 2]
€ 650.000,-
-
Vordering [naam 1]
€ 20.000,-
Voertuigen
Zeilboot
€ 100.000,-
Toyota Yaris
€ 11.000,-
-
Totaal:
€ 1.257.405,06
€ 18.180,25
Partijen hebben een totaal te verrekenen vermogen van (1.257.405,06 + 18.180,25 =) € 1.275.585,31. Zij hebben ieder recht op de helft daarvan, zijnde € 637.792,66. Dit resulteert in een vordering van de vrouw op de man van (637.792,66 -/- 18.180,25 =) € 619.612,41.
5.12
Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de verrekeningsvordering vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bepalen dat de man € 619.612,41 aan de vrouw dient te voldoen.
De verrekening van de kosten van de huishouding
5.13
De man richt zijn grief 5 tegen overweging 3.3.18 van de rechtbank luidende: “
Voor zover de stelling van de man dat hij minder had moeten bijdragen in de kosten van de huishouding juist zou zijn, zou dit ertoe hebben geleid dat hij (meer) overgespaard inkomen en/of vermogen zou hebben gehad, hetgeen aan het einde van het huwelijk conform het verrekenbeding alsnog met de vrouw verrekend had moeten worden.” Verder grieft de man dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat op grond van artikel 6 van Pro de huwelijkse voorwaarden voor de jaren 2019 tot en met 2021 geen vordering bestaat tot verrekening van de kosten van de huishouding vanwege het vervalbeding (grief 6a) en dat de rechtbank ten onrechte de verrekenvorderingen ter zake de jaren 2019 tot en met 2022 heeft afgewezen (grief 6b).
5.14
Deze grieven falen. Dat wordt hierna uitgelegd.
5.15
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:338) het volgende overwogen:

3.2 Uitgangspunt in cassatie is dat partijen aan het in art. 6 van Pro de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodieke verrekenbeding geen uitvoering hebben gegeven en dat daarom de huwelijkse voorwaarden moeten worden afgewikkeld op de voet van art. 1:141 lid 1 BW Pro, dat bepaalt:
‘Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, blijft de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt deze zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.’
Voor de afwikkeling op de voet van art. 1:141 lid 1 BW Pro bepaalt art. 1:141 lid 3 BW Pro dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.
3.3
Voor zover het onderdeel in 2.3.8 tot uitgangspunt neemt dat bij de afwikkeling van een periodiek verrekenbeding op de voet van art. 1:141 lid 1 BW Pro schulden nooit in aanmerking kunnen worden genomen als deel van het te verrekenen vermogen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Zoals blijkt uit art. 1:136 lid Pro 1, tweede volzin, BW en de verwijzing in art. 1:143 lid 2 BW Pro — dat op grond van art. 1:141 lid Pro 3, tweede volzin, BW van overeenkomstige toepassing is — naar art. 674 Rv Pro, kunnen ook schulden tot het te verrekenen vermogen behoren. Of dat het geval is hangt af van de inhoud van het periodiek verrekenbeding.
Anders dan het onderdeel in 2.3.8 betoogt, ziet het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro ook op schulden.
(…)
3.5 (…)
De vraag of de man ter weerlegging van het vermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schuld van de vrouw niet moet worden betrokken in de verrekening, dient in de eerste plaats te worden beantwoord aan de hand van de inhoud en de onderlinge verhouding van de art. 5 en Pro 6 van de huwelijkse voorwaarden, en het daarin gemaakte onderscheid tussen de onderlinge draagplicht van de echtgenoten ten aanzien van de kosten van de huishouding en de verplichting tot verrekening van niet aan de huishouding bestede netto-inkomens uit arbeid.
3.6
Bij de beantwoording van de hiervoor in 3.5 bedoelde vraag zal zo nodig ook aandacht kunnen worden besteed aan de door het onderdeel in 2.3.9 (slot) genoemde kwestie of de vrouw in de periode waarop de verrekenplicht betrekking heeft, voldoende inkomsten uit arbeid genoot om daaruit haar deel van de kosten van de huishouding te voldoen. Voor zover de schuld van de vrouw is ontstaan doordat zij toen niet voldoende inkomsten had om haar deel van die kosten te voldoen, ligt het immers niet voor de hand om de schuld aan te merken als deel van een door belegging en herbelegging van niet verrekende inkomsten ontstaan saldo in de zin van art. 1:141 lid 1 BW Pro.”
In de zaak die leidde tot deze beschikking van de Hoge Raad waren de ex-echtgenoten in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij ieder de helft van de kosten van de huishouding zouden betalen.
5.16
In onderhavig geval zijn partijen in artikel 6 van Pro hun huwelijkse voorwaarden met elkaar overeengekomen dat de kosten van de huishouding door partijen gedragen moeten worden naar rato van hun inkomens en bij gebrek aan inkomen naar rato van hun vermogens. In artikel 8 van Pro hun huwelijkse voorwaarden zijn partijen met elkaar overeengekomen dat het inkomen dat ieder jaar overblijft na aftrek van de kosten van de huishouding en de te betalen belastingen, moet worden verrekend zo dat ieder de helft daarvan ter zijn eigen beschikking krijgt. De verrekenplicht, die op grond van artikel 1:141 lid 3 BW Pro een op de wet gestoelde finale verrekening betreft, vindt dus plaats nadat de verrekening van de kosten van de huishouding heeft plaatsgevonden. De eventuele vordering van de man ten aanzien van het te veel door hem uit zijn inkomen bijgedragene aan de kosten van de huishouding is dan onderdeel van het te verrekenen vermogen. Dit geldt ook voor de daarmee corresponderende eventuele schuld van de vrouw ten aanzien van het door haar te weinig uit haar inkomen bijgedragene aan de kosten van de huishouding. Immers als partijen ieder hun volledige aandeel in de kosten van de huishouding hebben voldaan, is de uitkomst van de finale verrekening hetzelfde als in het geval een eventuele vordering en een even grote schuld ten aanzien van de kosten van de huishouding worden betrokken in de finale verrekening.
5.17
Eventuele vorderingen ten aanzien van de kosten van de huishouding van de man op de vrouw en eventuele schulden ten aanzien de kosten van de huishouding van de vrouw aan de man, vallen in de finale verrekening ex 1:141 lid 3 BW tegenover elkaar weg. Het hof komt daarom niet toe aan de beoordeling van de grieven 6a en 6b van de man (zie voor grief 6b sub 2 ook nog hierna). Het hof zal op bovengenoemde gronden de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de kosten van de huishouding bekrachtigen, zij het met een andere motivering.
5.18
In grief 6b sub 2 stelt de man dat de vrouw hem € 11.393,32 moet betalen uit de verhuurinkomsten van het gezamenlijk onroerend goed aan de [adres 1] in de jaren 2018 en 2019. De man stelt dat partijen omdat zij gezamenlijk eigenaar waren van dit pand, ieder de helft van de kosten moeten dragen en ieder recht hebben op de helft van de verhuurinkomsten. Per saldo betekent dit volgens de man dat de vrouw nog € 11.393,32 aan de man moet betalen. De vrouw voert verweer. Volgens de vrouw zijn er veel meer kosten gemaakt dan de man stelt, zodanig dat de kosten de baten overtreffen. De vrouw heeft het merendeel van die kosten gedragen. Voor zover er al iets te verrekenen valt, zou dit volgens de vrouw onder de finale verrekening ten gevolge van het niet uitgevoerde periodieke verrekenbeding vallen.
5.19
Het hof oordeelt in aanvulling op rov. 5.16-5.17 nog als volgt. Het is het hof niet duidelijk wat de grondslag is van de door de man gewenste verrekening (in het kader van de kosten van de huishouding) dan wel voor het ontstaan van een vergoedingsrecht van de man. Voor zover de baten de lasten overtreffen, en het restant op de peildatum nog tot het vermogen van (een van) de partijen zou behoren (bijvoorbeeld als bedrag op een bankrekening), is dit vermogen (waarvan vermoed wordt dat dat is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden) reeds betrokken in de finale verrekening op de peildatum. De man heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is.
De vergoedingsrechten
5.2
Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden geen afspraken gemaakt over vergoedingsrechten. Het wettelijke systeem van titel 1.6 BW is daarom van toepassing (zie artikel 1:87 BW Pro voor vergoedingsvorderingen die ontstaan na 1 januari 2012). Nu er tussen partijen geen huwelijksgemeenschap bestaat, kan er kortweg enkel sprake zijn van vergoedingsrechten in het geval een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost (zie artikel 1:87 lid 1 BW Pro).
De vergoedingsrechten van de vrouw
5.21
Het hof zal de beslissing van de rechtbank dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft van € 9.178,- vernietigen en, opnieuw rechtdoende, beslissen dat aan de vrouw geen vergoedingsrecht toekomt voor de kosten die zij heeft voldaan uit de erfenis ad € 18.356,- die zij uit de nalatenschap van haar moeder heeft ontvangen. Dat betekent dat de grief van de man op dit onderdeel slaagt. Het hof is namelijk van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd wat er met het bedrag van € 18.356,- is gebeurd. Het hof kan niet vaststellen dat dit bedrag, zoals de vrouw stelt, in het te verrekenen vermogen is gevloeid. Weliswaar blijkt uit productie 18a van de man uit eerste aanleg dat de vrouw in 2015 bepaalde kosten heeft betaald, maar daarmee komt niet vast te staan dat de vrouw deze kosten uit haar erfenis heeft betaald en dat deze kosten zijn gemaakt voor het privévermogen van de man. Daarnaast vallen veel van de genoemde kosten onder de kosten van de huishouding. Dat betekent dat er geen grondslag is voor een vergoedingsrecht. Voor een vergoedingsrecht ontstaat pas aanleiding als privévermogen is geïnvesteerd in het vermogen van een ander, of anderszins een verplichting is ontstaan om de vermogensverschuiving tussen de privévermogens van de echtgenoten ongedaan te maken.
5.22
De vrouw grieft met haar grief 16 dat aan haar nog een vergoedingsrecht toekomt van € 9.189,-, door de man aan haar te betalen, omdat de man bij de aankoop van de woning [adres 2] € 18.378,- aan te verrekenen vermogen heeft ingebracht op 30 september 1988. Na verkoop van deze woning in 1990 zou de man de volledige koopsom hebben geïncasseerd en het door partijen ingebrachte bedrag van € 18.378,- niet bij helfte met de vrouw hebben gedeeld. De man betwist dat het ingebrachte bedrag van € 18.378,- afkomstig was uit te verrekenen vermogen. De man stelt dat hij dit vermogen al voor het huwelijk had opgebouwd. Nu de vrouw haar stelling niet met stukken heeft onderbouwd, en de man deze gemotiveerd heeft betwist, zal het hof – nog los van de vraag of in de door de vrouw gestelde feitenconstellatie wel sprake is van het ontstaan van een vergoedingsrecht van de vrouw – het door de vrouw verzochte vergoedingsrecht afwijzen.
Het vergoedingsrecht van de man
5.23
De man grieft dat hij een vergoedingsrecht heeft van € 79.025,- omdat hij het saldo van zijn bankrekening (omgerekend in euro’s) heeft aangebracht bij het aangaan van het huwelijk in 1987. De vrouw betwist dat de man de door hem gestelde na het huwelijk gedane uitgaven, zijnde kosten voor de bruiloft, de zeilboot [naam 2] en de aankoop van het onroerend goed [adres 2] , uit zijn eigen vermogen heeft betaald. Het hof is van oordeel dat de man, net als in eerste aanleg, niet heeft aangetoond dat hij bij het aangaan van het huwelijk een saldo had van (omgerekend) € 79.025,-. Het beroep van de man op de uitgaven die hij er mee stelt te hebben gedaan in een periode van bijna anderhalf jaar na het huwelijk, kan ook niet leiden tot een ander oordeel. Ook valt op basis van de stukken niet vast te stellen dat het gestelde oorspronkelijke aangebrachte bedrag nog aanwezig was op de peildatum, en zo ja, of het op een manier is besteed die tot een vergoedingsrecht kan leiden. Het hof zal de beslissing van de rechtbank op dit punt daarom bekrachtigen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad en de schade van de tenuitvoerlegging
5.24
De man grieft dat de rechtbank de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad had mogen verklaren, gelet op de omvang van het door de man op grond van de bestreden beschikking aan de vrouw te betalen bedrag. Hij verzoekt het hof te bepalen dat de vrouw hetgeen zij te veel heeft ontvangen van de man moet terugbetalen én te bepalen dat zij de schade die de man heeft geleden wegens de executie van de bestreden beschikking aan hem dient te vergoeden. De man begroot zijn schade op € 4.760,04 te vermeerderen met de wettelijke rente over het te veel betaalde.
5.25
Het hof is van oordeel dat de vrouw hetgeen zij te veel heeft ontvangen aan de man moet terugbetalen, maar dat de vrouw niet gehouden is de door de man gestelde schade te vergoeden. De man had schorsing van de tenuitvoerlegging kunnen verzoeken. Dit heeft hij niet gedaan. Het hof acht het niet redelijk om achteraf vergoeding van de schade te verzoeken terwijl hij niet heeft getracht executie te voorkomen.
5.26
De vrouw heeft te veel ontvangen:
in het kader van de verrekening [693.260,11 -/- 619.612,41 =] € 73.647,70;
in het kader van de vergoedingsrechten € 9.178,-.
In totaal heeft de vrouw dus € 82.825,70 te veel ontvangen. Dit bedrag zal zij aan de man moeten terugbetalen.
5.27
Hierna volgt de beslissing van het hof.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking waar het de beslissing onder 4.3 ten aanzien van de verrekening betreft en, opnieuw rechtdoende, veroordeelt de man aan de vrouw in het kader van de verrekening een bedrag te voldoen van € 619.612,41;
vernietigt de bestreden beschikking waar het de beslissing onder 4.4 ten aanzien van het vergoedingsrecht van de vrouw betreft, en bepaalt, opnieuw rechtdoende, dat aan de vrouw geen vergoedingsrecht toekomt;
bepaalt dat het voorgaande ertoe leidt dat de vrouw een bedrag van € 82.825,70 aan de man dient terug te betalen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.G.B. Boelens, E.B.J. van Elden en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. S. Richtersz als griffier, en is op 11 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.