Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 november 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon van de moeder en vader. De vader heeft het gezag. De moeder werd opgeroepen als informant, maar verzocht om als belanghebbende te worden aangemerkt, wat werd afgewezen.
De moeder stelde hoger beroep in tegen de oproep en de afwijzing, die zij als beschikkingen aanmerkte. Het hof verklaarde haar niet-ontvankelijk omdat de brief en e-mail niet als beschikking zouden gelden. De Hoge Raad oordeelt dat de oproep geen nadelig rechtsgevolg heeft, maar de e-mail met afwijzing van het belanghebbendheidsverzoek wel een eindbeschikking vormt waartegen beroep mogelijk is.
De Hoge Raad stelt dat de vraag of iemand belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro mede moet worden beoordeeld aan de hand van art. 8 EVRM Pro en de bijzondere omstandigheden van het geval. De moeder stelt dat zij sinds maart 2023 met toestemming van de vader de zorg voor de zoon heeft, waardoor een uithuisplaatsing haar rechten rechtstreeks raakt.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing over de belanghebbendheid en het verzoek van de moeder. De overige klachten worden niet behandeld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling over de belanghebbendheid van de moeder.