ECLI:NL:HR:2024:1557
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt navorderingsaanslagen wegens ontbreken voortvarendheid bij verlengde navorderingstermijn
Belanghebbende deed in 2014 een inkeerverzoek betreffende niet opgegeven bankrekeningen in Luxemburg. De Inspecteur vroeg meerdere keren om aanvullende informatie, die belanghebbende verstrekte tot juni 2016. In september 2016 stelde de behandelend ambtenaar vragen over de fiscale kwalificatie van een Panamese rechtspersoon, [A] Inc., die als huls werd gebruikt om vermogen te verbergen.
De navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2008 werden tussen december 2016 en februari 2017 opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Hof en Rechtbank oordeelden dat de Inspecteur voortvarend had gehandeld, mede omdat het dossier intern werd overgedragen en er instemming was gevraagd voor verlenging.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door te veronderstellen dat de Inspecteur mocht wachten met opleggen totdat alle navorderingsaanslagen konden worden vastgesteld. De e-mail uit september 2016 had geen betrekking op de jaren 2001-2008, omdat de betrokken rechtspersoon pas in 2008 werd opgericht en de rekening in 2009 werd geopend. Het verzoek tot verlenging is geen handeling gericht op voortvarendheid.
De Hoge Raad concludeert dat tussen juni 2016 en het opleggen van de aanslagen een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden is opgetreden, waardoor de vereiste voortvarendheid ontbreekt. Daarom worden de navorderingsaanslagen over 2001-2008 vernietigd. Tevens worden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2001-2008 worden vernietigd wegens ontbreken van voortvarendheid.