Belanghebbende heeft in november 2009 een verklaring vrijwillige verbetering van buitenlands vermogen ingediend, waarna de Inspecteur over de jaren 1997 tot en met 2007 navorderingsaanslagen wilde opleggen. Na correspondentie werd een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin werd afgesproken dat één navorderingsaanslag voor 2007 zou worden opgelegd ter hoogte van € 31.868.
De kern van het geschil betrof de vraag of de Inspecteur bij het opleggen van deze navorderingsaanslag met de vereiste voortvarendheid had gehandeld. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur voldoende voortvarend was geweest, omdat de zekerheid over het bedrag was verkregen bij ondertekening van de vaststellingsovereenkomst.
De Hoge Raad stelt echter dat de navorderingsaanslag pas is vastgesteld op het moment van de officiële bekendmaking, doorgaans door toezending van het aanslagbiljet, en niet bij de sluiting van de vaststellingsovereenkomst. De voortvarendheid moet worden beoordeeld aan de hand van het tijdsverloop tussen het verkrijgen van de benodigde informatie en de feitelijke bekendmaking van de aanslag.
Het arrest vernietigt het oordeel van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van deze criteria. Tevens wordt bepaald dat de Inspecteur geen onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden mag laten verlopen tussen interne vaststelling en bekendmaking van de aanslag.