Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2001 tot en met 2008, opgelegd door de inspecteur na een inkeermelding van een Luxemburgse bankrekening.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen een deel van de aanslagen gegrond en vernietigde de uitspraken op bezwaar, maar het hof oordeelt dat de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van deze aanslagen. De inspecteur had na ontvangst van de benodigde informatie op 16 juni 2016 intern overleg gevoerd en het dossier overgedragen aan een gespecialiseerde collega, wat volgens het hof binnen de vrijheid van de inspecteur valt.
Belanghebbende stelde dat er sprake was van onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden, maar het hof volgt de rechtbank in het oordeel dat de inspecteur actief met het dossier bezig was en dat de interne e-mail en verzoek om verlenging van de navorderingstermijn gerechtvaardigd waren.
Het hof bevestigt dat het tijdsverloop tussen ontvangst van informatie en oplegging van de aanslagen noodzakelijk was voor zorgvuldig handelen en dat de inspecteur niet onzorgvuldig of traag heeft gehandeld. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.