Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft de hoofdelijke aansprakelijkheid van een echtgenoot voor leningen die door de andere echtgenoot zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, zoals geregeld in art. 1:85 BW Pro. Eisers, gehuwd buiten gemeenschap van goederen, hebben leningen ontvangen die deels zijn aangemerkt als ten behoeve van de huishouding. Het hof Amsterdam had hen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor vijf leningen uit 2002 en 2005, en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen.
De Hoge Raad bevestigt dat een verbintenis uit geldlening onder omstandigheden als een verbintenis ten behoeve van de huishouding kan worden aangemerkt. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de leningen in 2002 en 2005 redelijkerwijs als zodanig konden worden beschouwd. De Hoge Raad corrigeert echter het oordeel over de toepasselijke verjaringstermijn: in plaats van de algemene termijn van 20 jaar (art. 3:306 BW Pro) is de kortere termijn van 5 jaar uit art. 3:307 lid 1 BW Pro van toepassing op de vordering jegens de niet-handelende echtgenoot.
Voorts vernietigt de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de buitengerechtelijke incassokosten zonder zelfstandig verweer van eisers toegewezen kunnen worden. Het hof had dit verweer, dat in eerste aanleg wel was gevoerd en in hoger beroep niet was prijsgegeven, inhoudelijk moeten beoordelen. De zaak wordt verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing.
De Hoge Raad veroordeelt verweerders in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee wordt de rechtsontwikkeling omtrent de aansprakelijkheid van echtgenoten en de toepasselijke verjaringstermijnen verduidelijkt.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.