Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
23 juni 2023.
Hoge Raad
Partijen zijn sinds 1982 gehuwd en de man is in 2015 onder curatele gesteld vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand en drankmisbruik. In de echtscheidingsprocedure voert de man verweer tegen de echtscheiding, waaronder het pensioenverweer als bedoeld in art. 1:153 BW Pro. De curator verleent geen toestemming voor het voeren van vermogensrechtelijke verweren.
De rechtbank en het hof oordelen dat het pensioenverweer een vermogensrechtelijk karakter heeft en dat de man dit niet zelfstandig kan voeren vanwege zijn ondercuratelestelling. De Hoge Raad bevestigt dat een onder curatele gestelde zonder toestemming van de curator niet bekwaam is om pensioenverweer te voeren, omdat dit geen familierechtelijke handeling betreft.
De Hoge Raad verklaart de man daarom niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen het oordeel van het hof. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee wordt bevestigd dat het pensioenverweer niet zelfstandig door een onder curatele gestelde kan worden gevoerd zonder curatorstoestemming.
Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep omdat hij zonder toestemming van zijn curator geen pensioenverweer kan voeren.